Nadat Nederland zich op 14 mei 1940 overgaf aan de Duitse
troepen werd na ongeveer twee weken een burgerlijk
bezettingsbestuur geïnstalleerd. De Oostenrijkse jurist Dr. Arthur
Seyss-Inquart was als Rijkscommissaris het hoofd van dit Duitse
bestuur. Bij de uitvoering van het anti-joodse beleid werden, naast
Seyss-Inquart en zijn vertegenwoordiger in Amsterdam, verschillende
Duitse organisaties betrokken. Hiervan speelden het bureau IVB4 in
Den Haag, de Duitse politie en SS (een gevreesde militaire
organisatie) en de Zentrallstelle für jüdische Auswanderung
(centraal bureau voor joodse emigratie) in Amsterdam een centrale
rol.
Het bureau IVB4, onder verantwoordelijkheid van Willy Zopf,
bereidde de deportatie van alle Nederlandse joden voor. De
Oostenrijkse Hanns Albin Rauter was het hoofd van alle Duitse
politie en SS in Nederland. Zijn manschappen waren betrokken bij
uitvoer en naleving van alle anti-joodse wetten. Het hoofd van de
Zentrallstelle für Jüdische Auswanderung was Willy Lages, maar in
de praktijk voerde Ferdinand aus der Fünten het bevel over deze
organisatie. Deze Zentralstelle regelde de laatste voorbereidingen
voor de deportatie uit Amsterdam. Het gebouw van de Zentralstelle
aan het Adama van Scheltemaplein functioneerde tevens, net als de
Hollandsche Schouwburg, als verzamelplaats voor deportatie.
Westerbork was vanaf juli 1942 een doorgangskamp onder Duits bevel.
Albert Konrad Gemmeker was de derde kampcommandant. Hij voerde het
langst bevel over Westerbork, vanaf oktober 1942 tot vlak voor de
bevrijding.