Joodsche raad

Naambord van de Joodsche Raad op Amstel 93. Foto Johan de Haas - coll. NIODOp 12 februari 1941 riep de Duitse bezetter in Amsterdam de vooraanstaande joodse diamantair Abraham Asscher en twee rabbijnen bij zich. Zij werden geboden een Joodse Raad op te richten om de Amsterdamse joden te vertegenwoordigen bij de Duitse autoriteiten. De rabbijnen weigerden. Abraham Asscher nam die taak op zich en deelde samen met zijn vriend professor David Cohen het voorzitterschap van de nieuwe raad. Al voor oprichting van de Joodse Raad bestond er de Joodsche Coördinatie Commissie (JCC) onder leiding van dr. Lodewijk Visser. Visser stond kritisch tegenover de houding van de Joodse Raad en vond de raad te buigzaam jegens de bezetter. De JCC werd door de Duitse bezetter in oktober 1941 ontbonden.

De Joodse Raad daarentegen werd al snel belangrijk omdat joden zich voor alle dagelijkse en ambtelijke regelingen zich tot de raad moesten wenden. In de herfst van 1942 werkten 17.500 joden voor de Joodse Raad. Zij kregen in ruil daarvoor een tijdelijke vrijstelling van deportatie. Uiteindelijk werden ook deze medewerkers gedeporteerd. De Joodse Raad werd op 29 september 1943 ontbonden toen de laatste werknemers, waaronder de beide voorzitters, naar Westerbork werden gedeporteerd.

jhm.nljhmkindermuseum.nlhollandscheschouwburg.nlportugesesynagoge.nletshaim.nljoodsmonument.nlmenassehbenisrael.nl