Vanuit de
doorgangskampen Westerbork en Vught werden ongeveer 110.000 joden uit Nederland
gedeporteerd naar vernietigings- en concentratiekampen. De vijf
bestemmingen waren Auschwitz, Sobibor, Theresiënstadt, Bergen-Belsen en Mauthausen.
Toen Nederland in mei 1940 door Duitsland werd bezet voerde de
bezetter vrijwel onmiddellijk anti-joodse maatregelen in om de
bewegingsvrijheid van joden in te perken. In dat jaar woonden er
ongeveer 140.000 joden en 20.000 personen die deels joods waren in
ons land. Niet alleen werden er beperkende maatregelen genomen, ook
werd de angst onder joden gevoed met een aantal gewelddadige razzia's en deportaties in 1941. Met steeds
fellere anti-joodse wetten en verordeningen op het gebied van werk,
school, ondernemingen, winkels, vrije tijd en huisvesting werden
joden in Nederland volledig uit het openbare leven geweerd.
Halverwege 1942 was de isolatie van joden een
feit. Op 26 juni 1942 deelden de nazi's aan de Joodsche Raad mee dat joden ingezet
dienden te worden bij wat misleidend 'werkverruiming in het Oosten'
werd genoemd. Per post kregen joden een oproep hiervoor thuis. De
reacties op die oproep waren verschillend: sommigen doken onder,
anderen probeerden een voorlopige vrijstelling te regelen via de
Joodsche Raad en weer anderen besloten aan de oproep gehoor te
geven. Want wie zich niet vrijwillig kwam melden, kon door de
politie worden opgehaald en werd alsnog gedeporteerd. Tussen
augustus 1942 en november 1943 diende de Hollandsche Schouwburg als
verzamelplaats voor deportatie.
Bekijk hier de chronologische lijst van maatregelen die de nazi's in Nederland namen om joden te isoleren en deporteren.