Overeenkomstig de voorschriften van Deuteronomium 25 : 5-7 heeft een man, wiens broer overleden is met achterlating van een kinderloze weduwe, de plicht deze vrouw als echtgenote te aanvaarden. Dit zogenaamde zwager- of leviraatshuwelijk dient in de eerste plaats om de zorg voor het levensonderhoud van de vrouw te waarborgen en het familiebezit veilig te kunnen stellen. Daarnaast spelen zorg voor nakomelingschap binnen het zwagerhuwelijk en daarmee het voortzetten van de familietak een belangrijke rol.
Mochten er onoverkomelijke bezwaren zijn om een dergelijke
verbintenis aan te gaan, dan kan men via een bepaalde
'losmakingsprocedure' van deze verplichting ontslagen worden, zoals
vermeld in Deuteronomium 25 : 7-10. Bij deze z.g. chalitsaceremonie
trekt de weduwe haar zwager ten overstaan van een aantal getuigen
de schoen uit, waarmee ze hem ontslaat van de verplichting een
huwelijk met haar aan te gaan. Daarna spuwt zij voor hem op de
grond, als symbool van haar minachting voor zijn handelswijze. Bij
deze ceremonie wordt gebruik gemaakt van een chalitsaschoen.
Het opperrabbinaat van Israel vaardigde in 1950 een verbod op het
leviraatshuwelijk uit en stelde de chalitsaprocedure in voorkomende
gevallen verplicht. Deze richtlijn wordt in alle landen waar een
rabbinale rechtbank is gevolgd. Ook in ons land vindt in orthodoxe
kring de chalitsa nog steeds plaats.