Abraham Carel Wertheim

Wertheim, Abraham Carel

Abraham Carel Wertheim (1832-1897) behoorde tot de kringen van geemancipeerde en geassimileerde joden in het 19e-eeuwse Amsterdam. Zijn voorouders waren lid geweest van de door Nederlandse "Maskiliem' (=joodse verlichters) opgerichte gemeente Adath Jessurun. Hij was bankier en filantroop.

geboren1832-12-12 Amsterdam
overleden1897-11-30 Amsterdam
vaderWertheim, Carel
moederMinden, Dientje van
broersWertheim, Jacob Leon 1839-10-22
Wertheim, Johannes Eduard 1843-11-30
zussenWertheim, Rosalie Theresia 1834-08-17
Wertheim, Judith Elisabeth 1836-04-24
Wertheim, Sarah 1841=1922
partnerWertheim, Rosalie Marie 1838-05-04=1909-06-08
huwelijk1858-05-17 Amsterdam
beroepbankier
functieshoofdbestuurder Toneelverbond
Statenlid Provinciale Staten van Noord-Holland 1866-1875

Abraham Carel Wertheim (1832-1897) werd in Amsterdam geboren als zoon van de niet onbemiddelde koopman Carel Wertheim en Dientje van Minden. In Zaandijk dreef zijn vader een juwelierswinkel en later vestigde hij zich in Amsterdam als commissionair in goud- en zilverwerk. Hij behoorde tot de groep van geëmancipeerde joden waartoe ook de Assers en de Asschers behoorden. De verlichte opvattingen van de Wertheims blijken onder andere uit het feit dat zij zich hadden aangesloten bij de afgescheiden gemeente "Adath Jessurun". De leden van deze gemeente waren voorstanders van een algemene emancipatie van de joden in Nederland. Op bevel van Lodewijk Napoleon werd deze afgescheiden gemeente in 1808 weer samengevoegd met de Hoogduitse Gemeente.
De jonge Abraham Carel kreeg een joodse opvoeding. Zo bezocht hij onder andere de joodse godsdienstschool. In 1845, op 13-jarige leeftijd, ging Abraham werken op het kantoor van zijn oom Johannes Wertheim. Deze had samen met B.L. Gompertz een effectenkantoor opgebouwd. Hier leerde Wertheim de beginselen van het bankiersvak. Na enkele jaren bleken zijn talenten op dit vlak en werd hij geplaatst op het bankierskantoor van Julius Koenigswarter aan de Keizersgracht.
Als nieuwe bediende op dit kantoor werd Abraham van tijd tot tijd ontvangen op de culturele salons ten huize van de Koeningswarters. Om zijn algemene ontwikkeling te vergroten sloot Wertheim zich aan bij het genootschap "Tot Nut en Beschaving". Van dit genootschap waren relatief veel joden lid, omdat de "Maatschappij tot Nut van 't Algemeen" geen joden toeliet tot haar ledenkring.
Op 17 mei 1858 trouwde Abraham Carel Wertheim met zijn nicht Rosalie Marie Wertheim. Bij die gelegenheid ook nam het bankiershuis "Wertheim & Gompertz" hem op als firmant. Het jonge echtpaar vestigde zich in de Doelenstraat in Amsterdam. Veertien jaar later bestond het gezin Wertheim uit zeven personen.
Hoewel Wertheim in de eerste plaats bankier was, had hij daarnaast een zeer grote culturele belangstelling. Zo was hij onder andere lid van het "Genootschap ter Beoefening der Uiterlijke Welsprekendheid". De leden van dit genootschap verzorgden onder andere amateurtoneelvoorstellingen. Het was onder andere Wertheims broer Jacob Leon Wertheim (1839-1882) die zijn liefde voor toneel en literatuur stimuleerde. A.C. Wertheim werd hoofdbestuurder van het Toneelverbond. Samen met H.J.Schimmel en de latere burgemeester van Tienhoven richtte Wertheim de "Vereeniging Het Nederlandsche Toneel" op. Deze vereniging zou de enige grote toneelgroep in de hoofdstad moeten worden.
De bedoeling was het nationale toneel uit het dal te halen. Aanvankelijk speelde de vereniging in de Stadschouwburg, daarna in het Grand Theatre in de Amstelstraat. Wertheim was ook betrokken bij de bouw van een nieuwe schouwburg op het Leidseplein, nadat de oude in de nacht van 20 februari 1890 was afgebrand. Behalve met het bankwezen en de cultuur hield Wertheim zich ook bezig met liefdadigheid en politiek. Hij was een centrale figuur in het Amsterdamse politieke leven. Ook is hij lange tijd lid geweest van de Eerste Kamer.
Na zijn dood, op 30 november 1897, werd een monument te zijner ere onthuld. J. Boissevain sprak bij die gelegenheid de volgende woorden:"Wij danken U voor het voorbeeld dat gij ons gegeven hebt van een mannelijk leven, geleid naar de inspraken van een liefderijk gemoed. Van het materieele werk dat gij hebt tot stand gebracht zal wellicht veel worden gewijzigd, en in de loop der tijden teniet gedaan, maar de zaden van onderlinge waardeering, van hartelijke samenwerking voor een edel doel door U gestrooid, zullen kiemen en tot wasdom rijpen bij het jonge geslacht."

jhm.nljhmkindermuseum.nlhollandscheschouwburg.nlportugesesynagoge.nletshaim.nljoodsmonument.nlmenassehbenisrael.nl