
Lodewijk Ernst Visser (1871-1942) promoveerde in 1894 te Utrecht in de staatswetenschappen. Hij werd in 1939 president van de Hoge Raad waarvan hij in 1940 door de Duitsers werd ontslagen. Hij zette zich tijdens de oorlog enorm in voor de joden. Hij overleed in 1942 aan een hersenbloeding.
| geboren | 1871-08-21 Amersfoort |
| overleden | 1942-02-17 Den Haag |
| vader | Visser, Ernst Lodewijk |
| moeder | Polak, Anna |
| broers | Visser, Alex Visser, Jaap |
| partner | Wertheim, Cornelia Johanna Sara 1874-04-07=1944-03-20 |
| huwelijk | 1898-09-15 Amsterdam |
| beroep | jurist |
| functie | president Hoge Raad der Nederlanden 1939=1940 |
Lodewijk Ernst Visser (1871-1942) werd in Amersfoort geboren als oudste zoon van vooraanstaande ouders. Zijn vader, Ernst Lodewijk Visser, bekleedde vele functies, waaronder een wethouderspost voor de gemeente Amersfoort. Zijn voorouders van vaders kant behoorden tot de groep joden die in 1798 de afgescheide gemeente "Adat Jessurun" oprichtten. Ook de voorouders van zijn echtgenote Cornelia Wertheim behoorden tot deze groep die overwegend uit leden van de gegoede burgerij bestond. Visser behoorde tot een kring die men wel de "Haute juiverie" heeft genoemd: families die al gedurende een aantal generaties welvarend en ontwikkeld waren en die zich ondanks hun streven naar assimilatie, bewust bleven van hun jood-zijn.
Vele leden van de familie Visser bekleedden belangrijke posten en velen van hen hadden rechten gestudeerd. Ook Lodewijk Ernst Visser koos voor deze studie die hij in 1894 afsloot met een staatsrechtelijke dissertatie getiteld "De territoriale zee". Na een korte studie in Parijs vestigde hij zich als advocaat in Amsterdam op het advocatenkantoor van J.C. Boas en E. van Lier. In mei 1897 werd hij benoemd tot adjunct-commies op het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Het was juist in deze tijd dat de Dreyfussaffaire ook hier in Nederland het antisemitisme deed opleven. Visser was van mening dat hierdoor zijn carrièremogelijkheden bij Buitenlandse Zaken zeer gering waren. Daarom nam hij in 1903 ontslag en ging weer werken op het Amsterdamse advocatenkantoor.
Nog hetzelfde jaar benoemde men Visser tot rechter aan de arrondissementsrechtbank in Rotterdam. Vanaf dat moment nam zijn carrière een hoge vlucht. In 1911 werd hij benoemd tot vice-president van de rechtbank in Rotterdam, in 1915 trad hij als raadsheer toe tot de Hoge Raad. In 1933 werd hij vice-president van dit orgaan en in 1939 volgde zijn benoeming tot president van dit hoogste rechtscollege in Nederland.
Lodewijk Ernst Visser was in de jaren '30 goed op de hoogte van wat er met de joden in Nazi-Duitsland gebeurde. Zijn dochter, Mathilde Visser, schreef daarover: "Bij mijn vader kwamen voortdurend mensen, zowel goede Duitsers als Nederlanders, die hem op de hoogt stelden van het lot der Joden daar voor de oorlog, van de mishandelingen en de kampen, en ook van het politieke verzet." Toen er in 1936 een meeting plaats vond in het Concertgebouw te Amsterdam tegen de Neurenberger Wetten, was Lodewijk Ernst Visser een van degenen die het spreekgestoelte beklom. Op 21 november 1940 werd Visser door de bezetter ontslagen omdat hij joods was. Eind 1940 werd de Joodse Coordinatie Commissie (JCC) opgericht. Van deze commissie was Visser de voorzitter. De JCC was in tegenstelling tot de Joodse Raad een autonome organisatie die door joden zelf was opgericht. Er bestond een principieel verschil van mening tussen beide instellingen over de ten opzichte van de bezetter aan te nemen houding . De JCC, bij monde van van Visser, stond op het standpunt dat je de bezetter zoveel mogelijk moest tegenwerken en wees collaboratie af. Hij was ook tegen de instelling van een apart joods orgaan als "Het Joodsche Weekblad". Dit zou alleen maar meehelpen de joden verder van de rest van de Nederlandse samenleving te isoleren.
David Cohen van de Joodse Raad stond op het standpunt dat je zoveel mogelijk moest meewerken met de bezetter. Dit om te proberen er het beste van te maken. Cohens houding werd door Visser in een brief aan hem als volgt verwoord: "De instelling van de JR is den bezetter ter wille te zijn, zijn bevelen gedwee op te volgen, ik zou haast zeggen hem dienstbaar te zijn, hopende aldus "erger te voorkomen", een hoop, die niet verwezenlijkt is." Visser schreef verder aan Cohen dat hij niet alleen stond in zijn mening dat je je tegen de bezetter moest verzetten: "Talrijke Joden van allerlei rang en stand - van de niet-Joden spreek ik niet - willen niet aanvaarden een houding van den Joodschen Raad, welke zich uit in hulp en dienstbetoon aan den bezettter. Men voelt, soms instinctmatig, dat dit niet mag en dat wij Joden in geen geval helper van den bezetter mogen zijn." Lodewijk Ernst Visser overleed op 17 februari 1942 te Den Haag aan een hersenbloeding. Zijn vrouw, Caroline Wertheim, overleed in het doorgangskamp Westerbork aan de gevolgen van een longontsteking.
Brief
1884 (?)
Brief van LE Visser aan zijn ouders en grootvader, circa 1884.
Collectie > Documenten > 00003108