
De bekende bioscoopmagnaat Abraham Tuschinski begon in 1911 in Rotterdam zijn eerste bioscoop. Als spoedig bouwde hij zijn imperium verder uit en in 1921 kon in Amsterdam het nog altijd bestaand Tuschinski-theater worden geopend. Tijdens de bezetting werden Tuschinski en zijn mededirecteuren Ehrlich en Gerschtanowitz kort na elkaar opgepakt en via Westerbork naar de vernietigingskampen gevoerd. Abraham Tuschinski werd op 17 september 1942 in Auschwitz vermoord.
| geboren | 1886-05-14 Brzezin (Polen) |
| overleden | 1942-09-17 Auschwitz |
| vader | Tuszynski, Wolf |
| broer | Tuschinski, Jozef |
| partner | Ehrlich, Mariem Estera |
| beroep | bioscoopexploitant |
De bekende bioscoopmagnaat Abraham Tuschinski werd op 14 mei 1886 in het Poolse Brzezin, twintig kilometer ten westen van de stad Lodz, geboren als Abram Icec Tuschinski. Hij was de zoon van de koopman en kleermaker Wolf Tuszynski en diens vrouw Faige. Ook Abraham Tuschinski werd opgeleid tot kleermaker. Al op jeugdige leeftijd koesterde hij de wens om naar de Verenigde Staten te emigreren. Veel Poolse joden koesterden die wens en velen zouden ook de daad bij het woord voegen. Als jongeling trok Tuschinski naar het nabijgelegen Lodz, waar hij zijn latere vrouw Mariem Estera (Manja) Ehrlich leerde kennen. Op 22 februari 1904 trouwde hij op pas 17-jarige leeftijd met de een jaar oudere Manja. Kort daarop ondernam hij de eerste stappen om zijn Amerikaanse droom te verwezenlijken. Zonder zijn vrouw vertrok hij als kwartiermaker naar Rotterdam met de bedoeling om vandaar naar de Verenigde Staten te emigreren. Hij bleef echter in Rotterdam hangen waar hij als kleermaker ging werken op het atelier van een landgenoot. 's-Avonds werkte hij echter voor zichzelf en op deze manier wist hij binnen korte tijd genoeg geld te verdienen om zijn vrouw Manja naar Rotterdam te kunnen laten overkomen.
Op 4 mei 1906 werd daar hun eerste kind geboren, Wolf, genoemd naar zijn grootvader van vaderszijde. Zelf zou hij zich later Will of Willy noemen. Na Willy werd in 1908 nog de tweeling Nathan en Meijer geboren. Zij bleken echter een zwakke gezondheid te hebben en zouden al als baby en peuter overlijden.
In hun beginjaren runden Tuschinski en zijn vrouw in Rotterdam een logement voor joodse landverhuizers in de Nadorststraat 27-29. Enige jaren later stortte Tuschinski zich op een nieuw fenomeen: het bioscoopwezen. Vanaf 1909, toen Jean Desmet in Rotterdam de eerste bioscoop had geopend, kwamen er steeds meer bioscopen bij. Alleen al in 1911 kreeg de Maasstad er zeven nieuwe bioscopen bij, waarvan er één van Abraham Tuschinski was. Zijn bioscoop was gevestigd in een voormalig zeemanskerkje aan het Coolvest en Tuschinski kleedde het chique aan om zich van de concurentie te kunnen onderscheiden en noemde zijn bioscoop naar de muze van het blijspel Thalia. Deze bioscoop moest hij in 1912 noodgedwongen sluiten maar hij begon een nieuwe bioscoop aan de Hoogstraat, eveneens Thalia geheten.
Het ging goed met de zaken en begin 1918 verschenen de eerste berichten in het "Amsterdams Handelsblad" dat Tuschinski ook aan de Reguliersbreestraat in Amsterdam een bioscoop wilde bouwen. Op 21 oktober 1921 was het zover en kon het nieuwe, luxe bioscooptheater, dat Tuschinski's eigen naam droeg, geopend worden. Ook deze bioscoop werd een groot succes en de nauwelijks geletterde kleermaker uit Brzezin had zich inmiddels ontwikkelt tot een echte bioscoopmagnaat.
Na de beurskrach van 1929 volgde voor Tuschinski een moeilijke periode. Niet alleen financieel, ook op persoonlijk gebied maakte hij moeilijke tijden door. Zijn huwelijk met Manja stond onder spanning vanwege de verhouding die hij in de jaren twintig kreeg met Jet, de vrouw van zijn mededirecteur Hermann Ehrlich. Zijn financiële moeilijkheden probeerde hij op te lossen door steeds weer nieuwe stunts te verzinnen. Zo organiseerde hij nachtelijke premières waarvoor hij als extra trekpleister vooraanstaande en bekende Nederlanders uitnodigde. Zomers organiseerde hij voorstellingen tegen gereduceerd tarief. Door dit soort acties wist hij zijn zalen, ondanks de crisisjaren, toch vol te krijgen. De zaken gingen zelfs zo goed dat hij, samen met zijn mededirecteuren Ehrlich en Hermann Gerschtanowitz, ook in Den Haag een bioscoop kon openen.
Een grote persoonlijke slag voor Abraham Tuschinski was de dood op 33-jarige leeftijd van zijn zoon Will op 6 augustus 1939 aan keelkanker. Andere rampen volgden. Niet lang na het begin van de Duitse bezetting in mei 1940 werd het Tuschinski-theater gesloten en overgenomen door een niet-joodse maatschappij. Ook de joodse naam Tuschinski verdween en de bioscoop werd nu omgedoopt in "Tivioli". Tuschinski, Ehrlich en Gerschtanowitz werden in de loop van 1942 kort na elkaar opgepakt en via Westerbork naar de kampen gedeporteerd. Op 17 september 1942 werd Abraham Tuschinski in Auschwitz vermoord. Ook zijn mededirecteuren zouden de oorlog niet overleven. De bioscoop bleef echter en werd na de oorlog, weer onder zijn oude naam Tuschinski, heropend. Een plaquette in de hal herinnert aan het lot van haar vroegere joodse directeuren.