
Meijer Roest Mz. werd op 19 december 1821 te Amsterdam geboren als zoon van de arme koopman Marcus Roest en Saartje Snoek. Hij zou de eerste conservator worden van de Bibliotheca Rosenthaliana. Hij overleed op 20 november 1889 in zijn geboortestad Amsterdam.
| geboren | 1821-12-19 Amsterdam |
| overleden | 1889-11-20 Amsterdam |
| vader | Roest, Marcus Meijer |
| moeder | Snoek, Saartje Barend |
| partners | Staveren, Jansje van 1832-09-14=1868-04-26 Mot, Schoontje Jacob 1827-07-12=? |
| huwelijken | 1858-05-14 Amsterdam 1868-08-19 Amsterdam |
| beroepen | onderwijzer bibliothecaris |
| functie | conservator Bibliotheca Rosenthaliana |
Meijer Roest werd op 19 december 1821 in de Amsterdamse jodenbuurt geboren als zoon van de arme koopman Marcus Roest en Saartje Barend Snoek. Als zoon van arme ouders was er voor Meijer Roest maar één manier om zich intellectueel te vormen, namelijk door onderwijzer te worden. Het Nederlands-Israelitisch Seminarium gaf aan onbemiddelde joodse jongens de gelegenheid om zich kosteloos tot godsdienstonderwijzer te laten opleiden. Om de emancipatie van de Nederlandse joden te bevorderen gaf men aan het Nederlands-Israelitisch Seminarium naast onderwijs in joodse vakken - zoals studie van de Talmoed en andere bijbelcommentaren - ook les in algemeen-maatschappelijke vakken als Nederlands, geschiedenis, algebra, meetkunde en logica.
In 1839 behaalde Roest het diploma godsdienstonderwijzer middelste rang. We vinden Roest in 1849 terug als huisonderwijzer bij de joodse familie Van Saxen in het Brabantse St. Oedenrode. Intussen ontwikkelde Roest zich intellectueel steeds verder en kreeg hij belangstelling voor de 'Wissenschaft des Judenthums'. Er was in Nederland maar één stad waar hij zich op dat gebied verder zou kunnen ontplooien, namelijk zijn geboortestad Amsterdam. Daarom keerde hij op 21 april 1855 terug naar Amsterdam waar hij ging werken voor de bekende bibliograaf en antiquaar Frederik Muller. Voor Muller maakte Roest onder andere veilingcatalogi en corrigeerde hij het door hem geredigeerde tijdschrift "De Navorscher". Roest heeft ook zelf verschillende bijdragen voor "De Navorscher" geschreven en maakte een catalogus van de bibliotheek van de in 1860 overleden dichter Isaac da Costa.
In 1858 was hij onder-bibliothecaris geworden van de Koninklijke Academie van Wetenschappen. In datzelfde jaar trouwde hij met Jansje van Staveren. Uit dit huwelijk werden vijf kinderen geboren. Na het overlijden van zijn eerste vrouw, in 1868, trouwde hij met Schoontje Mot. Ook uit dit huwelijk werd een kind geboren dat echter al spoedig is overleden. Intussen bleef Roest tot 1870 voor Muller werken. Daarnaast was hij ook actief op journalistiek gebied. Zo richtte hij in 1865 het "Nieuw Israelietisch Weekblad" op en in 1875 de "Israelietische Nieuwsbode".
In datzelfde jaar verscheen het magnum opus van zijn bibliografische arbeid de "Catalog der Hebraica und Judaica aus der L. Rosenthal'schen Bibliothek". Met dit werk werd zijn naam als vooraanstaand joods bibliograaf zowel nationaal als internationaal gevestigd. De omvangrijke collectie boeken van Leezer Rosenthal die in deze catalogus wordt beschreven, werd in 1880 door de kinderen van Leezer Rosenthal aan de stad Amsterdam ten geschenke gegeven. Volgens de schenkingsvoorwaarden moest de collectie worden toegevoegd aan de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam waar de collectie in een apart vertrek zou moeten worden ondergebracht. George Rosenthal eiste in een brief van 6 juli 1880 aan het Gemeentebestuur van Amsterdam dat de collectie 'ten eeuwigen dage' bij elkaar zou moeten blijven en de naam 'Bibliotheca Rosenthaliana' zou moeten dragen. Het Gemeentebestuur van Amsterdam accepteerde de schenking en in 1881 werd Meijer Roest als eerste conservator aangesteld. Hij zou deze functie tot aan zijn dood in 1889 blijven vervullen.