
Jacques Karel Rensburg werd geboren op 24 maart 1870 in Den Haag. In de periode 1900-04 werkte hij bij het "'s-Gravenhaagsch Nieuws- en Advertentieblad". In 1895 probeerde hij zijn poezie gepubliceerd te krijgen in het "Tweemaandelijksch Tijdschrift". Hij correspondeerde met Verwey en Van Deyssel. In 1903 verschenen zijn eerste dichtbundels, benevens de roman 'Amsterdam Koningschap'. Hij vertaalde o.m. Marx en Dante. In 1917 wordt hij communist. Hij was een voorvechter van de vrouwenemancipatie en schreef diverse liedjes voor cabaret. Op 7 mei 1943 werd hij vermoord in Sobibor.
| geboren | 1870-03-24 Den Haag |
| overleden | 1943-05-07 Sobibor |
| vader | Rensburg, Jacques |
| moeder | Hanau, Rosalie |
| broers | Rensburg, Victor geb. 1871 Rensburg, Eugenius geb. 1873 |
| zus | Rensburg, Catharina geb. 1876 |
| beroepen | journalist vertaler corrector |
De schrijver Jacques Karel Rensburg werd op 24 maart 1870 in Den Haag geboren als eerste kind van Jacques Rensburg en Rosalia Hanau. Zijn vader was coiffeur van zowel de Franse Opera als van koning Willem III en diens echtgenote. De familie Rensburg woonde op het Plein in Den Haag, waar zijn vader artiesten als de kunstschilder Salomon Verveer en de acteur Nathan Judels ontving. Daarnaast was hij lid van de Academie voor Industrie in Parijs en dreef hij een zaak in bijouterieën. De jonge Jacques kreeg in dit tamelijk artistieke milieu verder een normale, burgerlijke opvoeding.
Die normale opvoeding kon echter niet verhinderen dat de schoolloopbaan van Jacques Rensburg nu niet bepaald een succes werd. In 1883 ging hij naar de Eerste HBS in Den Haag. Een paar jaar later zette Jacques zijn HBS-opleiding voort aan de Amsterdamse Keizersgracht. Dit omdat zijn familie inmiddels vanwege financiële problemen naar Amsterdam was verhuisd. Op de Amsterdamse HBS sloot Jacques in 1886 een levenslange vriendschap met Ary A.C. Belinfante (1870-1925). Datzelfde jaar werd hem afgeraden examen te doen. Een voorgenomen Staatsexamen en een poging een akte Middelbaar-Duits te halen liepen ook op een mislukking uit.
De loopbaan van Jacques Rensburg als publicist en schrijver begon in 1896 met een artikel over het nut van gymnastiek voor meisjes. Omstreeks 1900 kreeg hij een baantje bij het "'s-Gravenhaagsch Nieuws- en Advertentieblad". Tot 1904 zou Rensburg voor dit blad blijven werken. Een belangrijke tijd in zijn publicitaire loopbaan was het jaar 1903, waarin vrijwel zijn gehele oeuvre verscheen. Zo kwam toen zijn debuutbundel "Japanse verzen" uit, evenals de dichtbundel "Lohengrin". Daarnaast verscheen in 1903 ook het eerste (en tevens laatste) deel van zijn joodse romancyclus "Amsterdam. Koningschap". Afgezien van de satirische "Sonetten van Piet Lut", uit 1925, zouden na 1903 alleen nog "Sita" (1912) en "Faust" (1921) verschijnen.
Na 1903 leidde Rensburg een bestaan van, zoals hijzelf zei, twaalf ambachten en dertien ongelukken. Toch oogstte hij in 1906 enige roem met zijn vertalingen van de "Decamerone" van Boccacio en "De goddelijke komedie" van Dante. In 1908 volgde een vertaling van Marx' "De Joden-questie: kritiek op het Jodendom, het christendom en den staat" en in 1912 de al even genoemde dichtbundel "Sita". Dit was een bundel van een zogenaamd 'inter-astraal naturalisme' waaraan hij naar eigen zeggen van 1888 tot 1912 gewerkt had. In de periode 1914-1918 liet hij zich ook kennen als vrijdenker, antimilitarist en voorvechter van vrouwenemancipatie. Om in zijn levensonderhoud te voorzien was Rensburg verbonden aan verschillende vertaalbureaus en deed hij soms correctiewerk.
In 1930, bij gelegenheid van zijn 60ste verjaardag, zorgden vrienden ervoor dat zijn wetenschappelijke levenswerk, "Theorie der Evolutie", waaraan hij meer dan veertig jaar had gewerkt, in 1931 kon worden uitgegeven. Rensburg meende er een revolutie in de taalwetenschap mee te hebben veroorzaakt. Na 1931 ontving Rensburg, waarschijnlijk door bemiddeling van wethouder Boekman, subsidie van de stad Amsterdam.
Rensburg was een opvallende figuur in het Amsterdamse uitgaansleven van zijn tijd. Men zag hem overal waar cultuur en wetenschap werd bedreven: het Concertgebouw, de UB en café Americain. Omstreeks 1938 was Rensburg een tamelijk obscure figuur geworden die jongeren niet meer kenden. Toch werd zijn 70ste verjaardag in 1940 nog ouderwets gevierd. Zijn vriend Martin Premsela probeerde hem in 1943 op de Barneveldlijst te krijgen. Rensburg accepteerde het aanbod echter niet. Op 13 april 1943 werd hij opgepakt en naar de Schouwburg gebracht. Op 15 april kwam hij aan in Westerbork. Op 4 mei werd hij op transport gesteld naar Sobibor waar hij op 7 mei 1943 werd vermoord.