Isaac de Pinto werd in 1717 geboren als zoon van David de Pinto en Lea Ximenes Belmonte. Hij groeide op in een vermogend Portugees-joods milieu en ontwikkelde zich tot een cosmopolitische geleerde die polemiseerde met de bekende Verlichtingsfilosoof Voltaire en onder andere persoonlijk contact had met de beroemde schrijver Denis Diderot. De laatste jaren van zijn leven bracht Isaac de Pinto, na de dood van zijn vrouw in 1783, in relatieve eenzaamheid door. Hij overleed op 13 augustus 1787 en werd op de Portugees-joodse begraafplaats in Den Haag begraven.
| geboren | 1717-04 Amsterdam |
| overleden | 1787-08-13 Den Haag |
| vader | Pinto, David de |
| moeder | Ximenes Belmonte, Lea |
| broers | Pinto, Aron de 1716 Pinto, Jacob de 1718 |
| partner | Nunes Henriques, Rachel 1713(?) - 1783-05-20 |
| huwelijk | 1734 Amsterdam |
Isaac de Pinto werd op 20 april 1717 in Amsterdam geboren als tweede zoon van de zeer vermogende Portugees-joodse koopman David de Pinto en Lea Ximenes Belmonte. Isaac's oudere broer Aron was een jaar voor hem geboren en een jaar later, in 1718, kwam zijn jongere broer Jacob ter wereld. Een maand na de geboorte van Isaac kocht zijn vader voor 34.000 gulden het buitenhuis Tulpenburg. Dit feit onderstreept nog eens de grote welstand van de familie De Pinto. Ook in Amsterdam beschikte de familie De Pinto over een fraai herenhuis in de Sint Antoniesbreestraat: het nog steeds bestaande De Pinto-Huis. De vader van Isaac behoorde op zijn vijftigste verjaardag tot de tien rijkste sefardiem in Amsterdam en kon met een jaarlijks inkomen van 28.000 gulden op ruime voet leven.
De leden van de familie De Pinto stamden af van zogenaamde marranen of nieuw-christenen. Zij hadden zich in 1497 in Portugal onder druk van de inquisitie tot het katholicisme bekeerd. In 1607 arriveerden de voorouders van Isaac de Pinto dan ook als nieuw-christenen in Antwerpen. Pas in januari 1647 kwamen alle mannelijke leden van de familie De Pinto in Rotterdam bijeen om zich te laten besnijden waarmee zij na 150 jaar weer openlijk naar het jodendom terugkeerden. Een deel van de familie trok naar Amsterdam waar Isaac's gelijknamige voorvader in 1651 voor 30.000 gulden het bovengenoemde huis aan de Sint-Antoniesbreestraat kocht. De vooraanstaande positie die de familie de Pinto innam bleek niet alleen uit hun grote vermogen, maar ook uit het feit dat hun buiten Tulpenburg werd bezocht door hoogwaardigheidsbekleders als de hertog van Lotharingen en stadhouder Willem IV.
Over de opvoeding van Isaac de Pinto en zijn twee broers is weinig bekend. Waarschijnlijk werden zij door een huisleraar onderricht en voorbereid op een leven conform hun stand. Een specifiek joodse opleiding was bij de sefardiem in die tijd niet aan de orde. Aron bezocht wel de leerschool 'Ets Haim'. Misschien omdat hij als oudste zoon voorbestemd was om het handels- en bankiershuis De Pinto te leiden en daarom op de hoogte moest zijn van een op de halacha stoelende handelsethiek. Aron was ook degene die bij zijn vader inwoonde, terwijl Isaac en Jacob zich elders in de stad als koopman vestigden. De resultaten van Isaacs educatie kunnen voor een deel worden afgelezen aan zijn schriftelijke nalatenschap. Isaac beheersde het Portugees en vooral het Frans. Daarnaast kende hij Hebreeuws, Latijn, Spaans, Engels en Nederlands.
De drie broers werden al op jeugdige leeftijd betrokken bij het leiden van de Portugees-joodse gemeente. Tot 1760 bekleedden zij, elkaar regelmatig afwisselend, tal van bestuurlijke functies. Met zijn huwelijk in december 1734 begon voor Isaac de Pinto zijn zelfstandige leven. Hij trouwde dat jaar met de vier jaar oudere Rachel Nunes Henriques, dochter van een schatrijke VOC-aandeelhouder en financier. Uit dit huwelijk zouden geen kinderen geboren worden. Na 1739, het jaar waarin hij secretaris van het informele geleerdengenootschap, "Société Amicale" werd, voerde hij correspondentie met enkele buitenlandse schrijvers die dit genootschap frequenteerden.
Voor de 'Société Amicale' schreef De Pinto twee Franstalige filosofische vertogen waarvan de onderwerpen terugkeren in latere publicaties en die als maatgevend kunnen worden beschouwd voor zijn filosofische belangstelling. In deze verhandelingen ging De Pinto in op de onderwerpen 'wat is waarheid' en 'het misbruik van studie en wetenschappen'.
In de jaren 1746 en 1747 voerde hij correspondentie met Charles Marie de la Condamine (1701-1774), een in zijn tijd bekend astronoom, die daarnaast ook een verwoed reiziger was. In deze correspondentie gingen beide heren vooral in op de positie van de oorspronkelijke bevolking van het Amerikaanse continent. De Pinto verdedigde de Amerikaanse indianen tegen de vaak al te negatieve oordelen van La Condamine. Men moest een volk volgens De Pinto niet beoordelen naar de enkeling die je bij toeval had leren kennen. Een argument dat hij later in zijn polemiek met Voltaire ook met betrekking tot de joden zou gebruiken.
Vanaf 1747 kreeg de politieke belangstelling van De Pinto de overhand. Dat jaar zag het einde van het tweede stadhouderloze tijdperk, dat vanaf 1702 geduurd had, en het herstel van Oranje. De Pinto juichte de Orangistische omwenteling toe en hechtte er veel belang aan een goede relatie met de stadhouder te onderhouden. De onderlinge betrekkingen tussen de stadhouder en de familie De Pinto bevonden zich op het niveau van de persoonlijke omgang. Een directe verbinding met stadhouder Willem IV was voor Isaac en de zijnen van het grootste belang omdat zij als joden immers geen ambten mochten bekleden. Deze uitsluiting speelde hen vooral parten waar het de affaires van de VOC en de WIC betrof. Met grote hardnekkigheid werd door de De Pinto's de benoeming van Willem IV tot opperbewindhebber van de VOC en WIC in 1748 en 1749 bewerkstelligd.
In zijn in 1748 in Amsterdam uitgebrachte "Reflexoens Politicas, tocante a constituicao da nacao judaica" maakte De Pinto duidelijk dat naar zijn mening de economische uitsluitingsdecreten de toenemende ellende en criminaliteit onder zijn geloofsgenoten veroorzaakten. Binnen de Portugees-joodse natie raakten de middelen uitgeput en De Pinto vreesde dat de Portugese joden hetzelfde lot zou wachten als hun Hoogduitse geloofsgenoten. Als oplossing voor dit vraagstuk propageerde De Pinto het wegzenden van de paupers naar overzeese gebieden en het scheppen van een apart kapitaalfonds om dit te plan te ondersteunen. Beide voorstellen werden door De Pinto's mede bestuurders overgenomen. De uitvoering werd echter geen succes.
In 1751 overleed zowel Isaac de Pinto's vader als de door hem zeer geachte stadhouder. Met Willem IV verloor De Pinto's zijn mogelijkheden tot beïnvloeding van de politiek. De dood van zijn vader David de Pinto bracht een gecompliceerde boedelscheiding en een geringe erfenis met zich mee. Aron erfde 'de Hof van de Pinto'; het familiepand aan de Sint Antoniesbreestraat. Jacob en Isaac erfden gezamenlijk het buiten Tulpenburg. De zakelijke teloorgang begon in 1754 toen Jacob de Pinto onder curatele werd gesteld. In 1756 moest 'De hof de Pinto' van de hand worden gedaan. In 1761 was het nergens formeel vastgelegde faillissement een feit. Tulpenburg moest verkocht worden en een op naam van Isaac de Pinto gestelde wisselbrief kon niet meer worden verzilverd. Isaac reisde daarop af naar Parijs terwijl de rest van de familie naar Den Haag vertrok. Daar waren zij uiteindelijk in staat om een pand aan het Voorhout te betrekken, waaruit blijkt dat de familie zich kennelijk financieel weer wist te herstellen.
Isaac reisde af naar Parijs, de rest van de familie vertrok naar Den Haag. In Parijs zocht Isaac niet het gezelschap van zijn geloofsgenoten maar dat van bekende schrijvers als Diderot en Voltaire. Het was in deze periode dat hij zijn bekende "Apologie pour la Nation Juive" schreef waarin hij de negatieve opvattingen van Voltaire over de joden betreed. Deze verhandeling werd ook in het Nederlands vertaald en verscheen in 1763 onder de titel 'Verdediging voor de Jooden' in het tijdschrift "Vaderlandsche Letteroefeningen".
Na een verblijf van enkele jaren in de Franse hoofdstad voegde de Pinto zich omstreeks 1765 bij zijn familie in Den Haag en hernieuwde daar zijn contacten met invloedrijke personen, zoals Willem Bentinck, Hendrik Fagel, Nicolaas ten Hove en de veel jongere Utrechtse hoogleraar Rijklof Michael van Goens. Met Van Goens wisselde De Pinto brieven en geschriften uit. Vanaf 1777 trad De Pinto niet meer met zijn meningen in de openbaarheid. De laatste brief van de Pinto aan van Goens dateert uit 1783 en betrof de zorgwekkende toestand van zijn vrouw, die op 20 mei 1783 overleed. De laatste jaren van zijn leven bracht De Pinto in relatieve eenzaamheid door. Isaac de Pinto overleed op 13 augustus 1787 en werd op de Portugees-joodse begraafplaats van Den Haag begraven.
Hof van de E: Heer de Pinto
1695 (ca.)
Huis van Isaac de Pinto aan de Joden Breestraat waarvoor een koets met zes paarden
halthoudt. Links op de voorgrond blaft een hond naar de paarden. Rechts naast ...
Collectie > Museumstukken > 07547
Testament
1804-08-02
Testament van Samuel de Pinto, 1801.
Collectie > Documenten > 00004768
meer treffers in Collectie > Documenten
[Binnenland] : 's-Gravenhage
1901
Verslag van de lezing die de heer M. Wolff heeft gehouden voor de "Vereniging voor
Joodse Letterkunde en Geschiedenis" over het onderwerp : "Iets uit de geschiedenis ...
Collectie > Joodse pers > 20048903
[Binnenlandse berichten] : Amsterdam
1871
Gegevens over de oprichting van de Portugese synagoge te Amsterdam in 1671 (5431).
Collectie > Joodse pers > 20012961
Symboliek op joodse ex-librissen
2003
Symboliek op joodse ex-librissen.
Collectie > Literatuur > 12010031