Samuel Palache werd omstreek 1550 in de Marokkaanse stad Fez uit een familie van sefardische joden geboren. Hij leidde een avontuurlijk leven als koopman, diplomaat en kaapvaarder en kwam in 1608 samen met zijn broer Joseph in Amsterdam aan. Tussen 1608 en 1614 maakte hij ten minste vijf reizen naar Marokko. Hij overleed in februari 1616 in Den Haag en werd op de Portugees-joodse begraafplaats in Ouderkerk aan de Amstel begraven.
| geboren | 1550 (ca.) Fez (Marokko) |
| overleden | 1616-02-04 Den Haag |
| vader | Palache, Isaac |
| broer | Palache, Joseph |
| partner | Malca/Reina |
| huwelijk | 1607 |
Omstreeks 1550 werd Samuel Palache in de Marokkaanse stad Fez geboren uit een familie van sefardische joden. In 1492 waren zijn grootouders, met vele van hun geloofsgenoten, uit Spanje verdreven. Zijn vader, Isaac Palache, was in Fez rabbijn.
Over het leven van Samuel Palache bestaan veel legendes. Zo zouden hij en zijn broer Joseph in 1597 een belangrijke rol hebben gespeeld in de Portugees- joodse gemeente van Amsterdam. Het was echter pas in 1608 dat Samuel en zijn broer Joseph in Amsterdam aankwamen en het is onwaarschijnlijk dat zij daar werkelijk een belangrijke rol speelden. Ook zou de koning van Marokko Samuel Palache op een missie naar de Nederlanden hebben gestuurd om de boeken terug te krijgen die de Spanjaarden op zee van hem hadden gestolen. Deze gebeurtenis vond echter pas verscheidene jaren na hun aankomst in Amsterdam plaats en het was niet Samuel maar zijn neef Moses die door de sultan op deze missie was gestuurd. Recent historisch onderzoek heeft aangetoond dat deze legendarische levensbijzonderheden teruggaan op een korte passage uit "Historia Universal" van Daniël Levi de Barrios (1635-1701), een werk dat tegenwoordig als tamelijk onbetrouwbaar wordt gezien.
Spaanse bronnen tonen aan dat Samuel en zijn broer Joseph in 1603 voor het eerst in Madrid aankwamen. De Marokkaanse sultan Ahmad al-Mansur had hen op een missie naar Spanje gezonden om er edelstenen te kopen. Beide broers brachten daartoe een partij bijenwas mee waarmee ze de juwelen moesten betalen. Daarnaast bood Samuel Palache koning Filips III zijn spionagediensten aan. Ook probeerde hij de Spaanse vorst een plan te slijten om de Marokkaanse havenstad Larache aan te vallen. Kennelijk handelde Palache puur uit geldnood, want hetzelfde plan bood hij ook aan de graaf van Punonrrostro en aan groothertog Ferdinand I van Toscane aan. Hoewel Ferdinand een ambitieuze vorst was, ontbraken hem de middelen een dergelijke riskante aanval op Larache te ondernemen. In 1606 waren de gebroeders Palache weer in Madrid om nogmaals hun diensten in de Larache-zaak aan te bieden. In 1607 bood Samuel zijn diensten ook aan koning Henri IV van Frankrijk aan.
In 1607 moesten Samuel en zijn broer Spanje hals over kop verlaten. Volgens de broers op last van de Inquisitie. Samuel was inmiddels getrouwd met Malca/Reina (de hebreeuwse en de Spaanse vorm van dezelfde naam) en ze hadden in 1607 een zoon gekregen die zij Isaac noemden. Vanuit Saint-Jean-de-Luz, aan de Frans-Baskische kust, vertrokken Samuel en Joseph in de lente van 1608 naar Amsterdam. Op 8 april 1608 vroeg Samuel Palache in Amsterdam om Nederlandse paspoorten voor hem en zijn broer. Kort daarop keerde hij met een schip terug naar Marokko waar hij contact legde met Muley Zaydan voor wie hij vervolgens in de Nederlanden handelsagent werd. In februari 1609 was hij in ieder geval als zodanig werkzaam in Amsterdam. Een handelsmissie naar Marokko leverde niet het verwachte kapitaal op en de Amsterdamse kooplieden die hem gefinancierd hadden deden Samuel Palache vervolgens een proces aan waarna hij bankroet werd verklaard. Deze tegenslag weerhield Palache er overigens niet van actief te blijven als koopman.
Palache behoorde vrijwel zeker tot de Portugees-joodse gemeente Neve Shalom. Na zijn dood kreeg de gemeente namelijk zijn torarollen. Deze postume geste wijst op religieuze betrokkenheid. Aan de andere kant raakte hij en zijn familieleden niet echt geïntegreerd in de Portugees-joodse gemeente van Amsterdam. Zo trouwde geen van de mannelijke leden van de familie Palache met joodse vrouwen uit Amsterdam en werkte Palache uitsluitend samen met niet-joodse kooplieden. Vanaf 1611 verbleef hij bovendien als buitenlands agent in Den Haag wat de integratie in de Portugees-joodse gemeente van Amsterdam ook niet echt bevorderde. Bovendien maakte Palache tussen 1609 en 1614 tenminste vijf reizen naar Marokko en was dus een groot deel van zijn tijd in het buitenland.
Behalve als handelsagent, ontplooide Palache ook diplomatieke activiteiten. Zo was hij in 1611 zijdelings betrokken bij de totstandkoming van een verdrag tussen Marokko en de Nederlanden. Voor zijn bemoeienissen daarmee vereerden de Staten Generaal hem met een gouden ketting, een dito medaille en 600 gulden. Meteen na afloop van de onderhandelingen kreeg Samuel toestemming om naar Marokko af te reizen om het verdrag door Muley Zaydan te laten ratificeren.
Aan zijn activiteiten als diplomaat, juwelenhandelaar en spion voegde Samuel Palache ten slotte ook die van kaapvaarder toe. Kaapvaart onderscheidde zich van gewone zeeroverij doordat kapers, in tegenstelling tot zeerovers, speciale toestemming hadden van een regering. In dit geval was dat die van de Staten Generaal, die Palache in oktober 1613 speciale toestemming hadden gegeven om op een reis naar Marokko Spaanse buit te vergaren. In de lente van 1614 was Palache op een missie vertrokken die officieel tot doel had de Marokkaanse havenstad La Mamora van piraten te verlossen. Om een of andere reden, waarschijnlijk omdat Zaydan de havenstad kwijtraakte zonder er iets voor terug te krijgen, viel Palache bij hem in ongenade. Halsoverkop moest Palache Marokko verlaten. Op de terugreis maakte hij nabij de Azoren een Spaans schip buit. Een storm dwong hem op weg naar Amsterdam naar de Engelse havenstad Plymouth uit te wijken. Op verzoek van de Spaanse ambassadeur in Londen werd Palache vervolgens wegens zeeroverij gearresteerd. In 1614-1615 vond in verband hiermee in Londen een proces tegen Palache plaats. Uiteindelijk werd hij vrijgesproken en keerde hij naar de Republiek terug. Ondanks het feit dat de Spanjaarden hem wegens zeeroverij hadden willen laten gevangenzetten, was Palache de laatste maanden van zijn leven in het geheim bezig weer voor de Spaanse kroon te kunnen gaan werken. Samuel Palache werd echter ziek en overleed in februari 1616 in grote armoede in Den Haag en werd op de Portugees-joodse begraafplaats in Ouderkerk aan de Amstel begraven.