Isaac Orobio de Castro

Alvares, Baltasar

Orobio de Castro, Balthasar

Isaac Orobio de Castro werd omstreeks 1617 te Braganza in Portugal geboren. Hij studeerde filosofie en medicijnen en werd een vooraanstaand arts. In 1662 vestigde hij zich in Amsterdam waar hij terugkeerde naar het Jodendom. Hij overleed daar in 1687.

geboren1617 (ca.) Braganza
overleden1687 Amsterdam
vaderOrobio, Manuel Alvares de
moederNunez, Mencia Fernandez
broerOrobio, Melchor de 1627/8=
zussenOrobio, Leonor de
Enriques, Violante 1623 (ca.)=
Goncales, Ana 1624 (ca.)=
Orobio, Clara de 1631/3=

Baltazar (Isaac) Orobio de Castro werd omstreeks 1617 in Braganza in het noorden van Portugal geboren als tweede kind van Manuel Alvarez de Orobio en Mencia Fernández Nunez. Hij groeide op in een familie van marranen of schijnchristenen. Zijn familie vestigde zich in Spanje waar het in die periode iets veiliger was voor schijnchristenen dan in Portugal. In 1633, op ongeveer zestien-jarige leeftijd, werd Baltazar ingeschreven als student medicijnen aan de universiteit van Osuna in Andalusië in Spanje. Twee jaar later, in 1635, liet hij zich inschrijven als student aan de universiteit van Alcalá de Henares in Castilië. Hoewel niet met zekerheid bekend is waarom Baltazar deze overstap maakte, ligt het voor de hand om aan te nemen dat dit samenhing met de betere reputatie die de universiteit van Alcalá had op het gebied van de medicijnstudie. In Alcalá behaalde hij ook nog een licentiaat in de kunsten, volgde er colleges theologie en hield zich bezig met filosofische onderwerpen. In 1637 publiceerde Balthasar zijn eerste literaire werk getiteld "Epílogo de lo que passó en la peste de la ciudad de Malaga este ano 1637". Dit was een gedicht over de pestepidemie die er dat jaar in Malaga heerste.
In de lente van 1640 verliet hij Alcala plotseling nog voor te zijn afgestudeerd. Dit plotselinge vertrek hing samen met het gerucht dat hem ter ore was gekomen dat een zekere nieuw-christen aan de inquisitie had aangegeven dat de ouders van Baltazar in het geheim aanhangers van het jodendom waren. Verschillende familieleden werden gearresteerd. Hoewel het ditmaal met en sisser afliep, nam het gevoel van onveiligheid toe, wat diverse leden van de familie Alvarez ertoe aanzette hun heil elders te zoeken.
In 1641 vestigde Baltazar zich in Sevilla, de hoofdstad van Andalusië. Hier kreeg hij dat jaar een leerstoel in de medicijnen. Het lijkt waarschijnlijk - daar hij zijn studie in 1640 noodgedwongen had moeten neerleggen - dat hij in Sevilla werd benoemd zonder een geldig bewijs van afstuderen te hebben kunnen overleggen. Bij gebrek aan andere kandidaten zal men Baltazars geloofsbrieven waarschijnlijk niet al te nauwkeurig hebben onderzocht. Twee jaar later deed hij vrijwillig afstand van zijn leerstoel. Inmiddels had hij een behoorlijke naam als arts opgebouwd en was hij niet langer afhankelijk van het lage salaris dat hem door de universiteit van Sevilla betaald werd. Hij was inmiddels benoemd tot lijfarts van de hertog van Medinaceli die zijn hof in Sevilla had. Deze was een geleerd man die bovendien Hebreeuws leerde. Hier heeft Baltazar mogelijk de eerste beginselen van het Hebreeuws geleerd.
Wanneer de familie van Baltazar Sevilla verliet is niet helemaal duidelijk. Op zijn laatst woonden zij echter in 1648 in een klein stadje in de buurt van Jerez en Cadiz. In Cadiz leerde Baltazar Isabel Pérez de la Pena kennen met wie hij trouwde. Hierdoor werd Baltazar een partner in de zaken van zijn rijke schoonvader, hetgeen de hele familie Alvarez ten goede kwam. In 1653 publiceerde Baltazar een latijns traktaat over het aderlaten, een medische praktijk waarover in die periode juist een polemiek gaande was.
In 1654 viel hij in handen van de Spaanse Inquisitie die hem ervan verdacht in het geheim het jodendom te beleiden. Hij werd drie jaar lang in een kerker opgesloten, gemarteld en uiteindelijk vrijgelaten. Daarop verliet hij Spanje en vestigde zich in Toulouse in Zuid-Frankrijk. Ook hier behoorde hij uiterlijk tot de christelijke godsdienst. In Toulouse werd hij tot hoogleraar in de farmacie benoemd. Uiteindelijk vestigde hij zich in 1662 met zijn vrouw, twee kleine kinderen en zijn ouders in Amsterdam. Hier keerde hij terug tot het jodendom en veranderde zijn voornaam van Baltazar in Isaac.
In Amsterdam werd Isaac Orobio de Castro, zoals hij voortaan door het leven ging, al snel een vooraanstaand lid van de Portugees-joodse gemeente. Zo werd hij in 1668 bestuurder van het Portugese seminarium Ets Haim en in 1669 parnas van de Portugese gemeente. In zijn vele geschriften, waarvan de meesten in manuscript circuleerden, viel hij zowel het christendom als sceptische en deïstische tendensen binnen het jodendom aan. Zo schreef hij onder andere een weerlegging van de filosofie van zijn beroemde geloofsgenoot Baruch de Spinoza. Het bekendst is hij echter geworden door zijn debat met de remonstrantse predikant Philippus van Limborch (1633-1712).
Orobio de Castro was met Van Limborch in contact gekomen via de bekende Amsterdamse arts Egbert Veen, die een familielid was van Van Limborch. De eerste fase van dit debat vond plaats in 1683. Het werd uiteindelijk in 1687 te Gouda gepubliceerd onder de titel "De veritate religionis Christianae amica collatio cum erudito judaeo". In deze latijnse uitgave werd de naam van Orobio de Castro overigens niet genoemd, maar werd hij slechts aangeduid als een geleerde jood. Zijn identiteit werd na zijn dood onthuld in een recensie van de "Collatio" uit 1688 in het door Jean Le Clerc geredigeerde tijdschrift "Bibliotheque Universelle et Historique". In een latere Nederlandse vertaling van dit debat onder de titel "Vriendelijke Onderhandelinge met den geleerden jood Isaac Orobio de Castro over de waarheid van den Christelijken Godsdienst" werd zijn naam dan ook openlijk genoemd. De toon van het debat was opvallend beleefd, zekere in vergelijking met eerdere werken uit de zogenaamde adversus judaeos-literatuur. Isaac Orobio de Castro overleed in 1687 in zijn woonplaats Amsterdam en werd op de Portugees-joodse begraafplaats te Ouderkerk aan de Amstel begraven.



Collectie en mediatheek

 Kasboek  1781-1802
Kasboek van Isaac Orobio de Castro in lederen omslag
van de VOC in Amsterdam, 1781-1802.
Collectie > Documenten > 00008525

 [Binnenlandse berichten] : Amsterdam  1866
Gedeelte van een brief van D. Henriques de Castro aan dhr. Munk over zijn
onderzoek op de begraafplaats in Ouderkerk aan de Amstel.
Collectie > Joodse pers > 20011815

meer treffers in Collectie > Joodse pers

 De Joodse Gemeenschap van Braganca  1996
De Joodse Gemeenschap van Braganca.
Collectie > Literatuur > 12004555

meer treffers in Collectie > Literatuur

jhm.nljhmkindermuseum.nlhollandscheschouwburg.nlportugesesynagoge.nletshaim.nljoodsmonument.nlmenassehbenisrael.nl