
Lion Nordheim was in de jaren dertig een bekende figuur in de zionistische jeugdbeweging. Zo was hij lid van de Nederlandse Zionistische Studentenorganisatie en van 1934 tot 1936 voorzitter van de Joodse Jeugdfederatie. Daarna was hij ook actief in de Nederlandse Zionistenbond. Vlak na de capitulatie trouwde hij in mei 1940 met Jeanne van Amerongen. Op 15 april 1945 werd hij in Wormerveer gefusilleerd als represaille voor een aanslag op een spoorbaan. Na de oorlog heeft men zijn stoffelijke resten op Muiderberg begraven.
| geboren | 1910-06-09 Arnhem |
| overleden | 1945-04-15 Wormerveer |
| vader | Nordheim, Mozes |
| moeder | Aronson, Betje |
| broer | Nordheim, David 1904 |
| partner | Amerongen, Jeanne van |
| huwelijk | 1940-05 Amsterdam |
Lion Nordheim werd op 6 juni 1910 in Arnhem geboren als tweede zoon van Mozes Nordheim en Betje Aronson. Bij zijn geboorte kreeg hij de naam Leon mee, die hij later zelf zou veranderen in Lion. Zes jaar voor hem was zijn broer David geboren. Het echtpaar Nordheim woonde toen nog in Amsterdam. Hier had zijn vader in een diamantslijperij gewerkt. Omdat hij niet tegen het eentonige werk kon en daarnaast moeite had met de ruwe omgangsvormen in die wereld, hield vader Nordheim het diamantvak al snel voor gezien. Als gevolg van zijn door zijn broer gearrangeerde huwelijk met Betje Aronson verhuisde Mozes Nordheim vervolgens naar Arnhem waar zijn vrouw een uitdragerij runde. Daarin was zij meer dan succesvol en zij wist de uitdragerij uit te bouwen tot een gerenommeerde antiekzaak.
Na de lagere school ging Lion naar de HBS. Het gezin waarin hij opgroeide was traditioneel-joods. De Nordheims voerden een koosjere huishouding en de gezinsleden bezochten in ieder geval op feestdagen de sjoel. Bij zijn Amsterdamse familie maakte Nordheim voor het eerst kennis met het religieus zionisme. Zo kwam hij in contact met de mizrachistische, dat wil zeggen religieus-zionistische, jeugdvereniging "Zichron Ja'acow". Zijn broer David leerde daar zijn toekomstige vrouw Chelly Nordheim kennen (zijn nichtje) en Lion de wereld van de joodse jeugdbeweging waarin hij zo'n belangrijke rol zou gaan spelen.
In oktober 1930 liet Lion zich inschrijven aan de Universiteit Utrecht en werd hij lid van de Utrechtse afdeling van de Nederlandse Zionistische Studenten Organisatie (NZSO). Hij maakte een snelle carrière binnen zowel de NZSO als de Joodse Jeugdfederatie (JJF). In het blad "Baderech" schreef hij regelmatig artikelen waarin hij zich ontpopt als een overtuigd en overtuigend zionist. Het was ook in deze periode dat hem de persoonlijke slag trof van de dood van zijn moeder in 1932.
Een jaar later trad hij toe tot het bestuur van de JJF waar hij belast was met het begeleiden van chaloetsiem; jongeren die werden opgeleid voor emigratie naar Palestina. Na de machtsovername van Hitler, in januari 1933, kwamen daar ook veel Duitse jongeren bij. Van 1934 tot 1936 was Lion voorzitter van de JJF. In die hoedanigheid was hij Paul Denekamp opgevolgd. Door zijn charisma wist de eens zo verlegen jongeman de JJF aan zich te binden. Met name hield hij zich bezig met joods nationalisme in de diaspora en met de intensivering van de beleving van de joodse cultuur.
Toen Lion Nordheim in 1936 afscheid nam van de JJF ging hij bestuurswerk doen voor de Nederlandse Zionistenbond (NZB). Achter de schermen bleef hij echter ook werkzaam voor de JJF.
In de jaren dat Nordheim betrokken was bij de NZB waren er binnen deze beweging diverse conflicten. Die gingen onder andere over de verdeling van het land Israël volgens het zogenoemde Plan Geel, waarbij de Joodse staat slechts een smalle kuststrook kreeg toebedeeld. Weizmann was hier voor zodat er binnen de NZB een pro-Weizmann en een contra-Weizmann groep ontstond.
In het studiejaar 1937-1938 hield Lion Nordheim zonder af te studeren met zijn studie op. Een financiële reden om dat wel te doen had hij niet omdat hij van zijn moeder een behoorlijk bedrag geërfd had. In 1938 richtte het federatiebestuur een nieuw blad op, "Cheroetenoe", waarin meer zionistische ideologie aan de orde moest komen. Het blad werd gerund door Sallie Kleerekoper (1893-1970), Meijer Premsela (1904-1971), Lion Nordheim en Jo Melkman. Ook Jeanne van Amerongen trad tot de redactie toe. Het blad wilde een frisse wind laten waaien, waarbij men wat men noemde 'de verdorde beenderen' wilde opwekken. "Cheroetenoe" zette zich onder andere af tegen assimilatie en stond een verdieping van de joodse cultuur en identiteit voor.
Veel van de artikelen in "Cheroetenoe" vonden hun oorsprong in een informeel, maar select gezelschap zionisten dat vrijwel ieder avond bijeen kwam in het souterrain van de woning van de familie Van Amerongen aan de Amsterdamse Plantage Middenlaan. Dit 'joodse conventikel' werd veelal aangeduid als 'de catacomben'. Via de catacomben leerde Nordheim ook zijn vrouw, Jeanne van Amerongen, kennen. In mei 1940, vlak na de capitulatie, trouwde hij met haar. Lion en zijn vrouw doken onder, maar op 19 maart 1945 werd Lion gearresteerd. Op 15 april 1945 werd hij gefusilleerd als represaille voor een sabotageactie en in een massagraf begraven. Na de oorlog werden zijn stoffelijke resten op Muiderberg begraven. Op zijn grafsteen staat "Moré Tse-iree HaDor", leraar van een generatie jongeren.