
Samuel Israel Mulder (1792-1862) werd te Amsterdam geboren. Hij was een leerling van David Friedrichsfeld en werd onder diens invloed een volgeling van Mozes Mendelssohn en Naftali Wessely. Een deel van zijn werk is gepubliceerd in "Verspreide Lettervruchten" (1844). In 1836 behoorde hij tot de 69 intekenaren van het door G.I. Polak uitgegeven boek "Gedichten en redevoeringen in de Hebreeuwsche taal".
| geboren | 1792-06-20 Amsterdam |
| overleden | 1862-12-29 Amsterdam |
| moeder | Boas, Maria |
| beroep | godsdienstonderwijzer |
| functies | curator Ned. Isr. Seminarium 1826=1835 secretaris Ned. Isr. Gemeente Amsterdam 1849=? |
Samuel Israel Mulder werd op 20 juni 1792 in Amsterdam geboren als een van de drie kinderen van Israel Salomon en Maria Boas. Behalve Samuel waren er in het gezin nog twee zussen. Aanvankelijk heette hij Samuel Israel Salomon of Samuel Israel Schrijver. De naam Mulder nam de familie pas in 1811 aan. Zijn grootvader Salomon was diamantslijper en juwelier en was niet onbedreven in de Hebreeuwse letterkunde. Hij overleed echter toen Samuel zes jaar oud was en zal dus niet veel invloed op de ontwikkeling van zijn kleinzoon hebben gehad. Anders lag dat met zijn grootmoeder, Sara, een ontwikkelde vrouw, die Samuel als jongen onderwees.
Zijn vader was enig kind en kreeg van zijn ouders een uitstekende opvoeding. Behalve Hebreeuws kende hij moderne talen als Frans en Duits. Aanvankelijk was hij diamantklover maar later werd hij winkelier in tabak. Zijn huis was een ontmoetingsplek voor joodse jongeren die er een pijp tabak kwamen roken. Op latere leeftijd gaf zijn vader ook Hebreeuwse les aan groepjes joodse jongeren. Zijn zoon Samuel werd eveneens door hem in deze taal onderwezen. In de latere jaren van zijn leven was Mulders vader boekhouder en correspondentievoerder van voorname handelshuizen. Hij overleed in 1813 toen Mulder 21 jaar oud was.
Hoewel autodidact heeft Mulder veel gehad aan de lessen van zijn grootmoeder en vader. Ook David Friedrichfeld (ca. 1755-1810), die enige tijd bij zijn ouders inwoonde, oefende invloed uit op zijn ontwikkeling. Onder diens invloed werd hij een volgeling van joodse verlichters als Moses Mendelssohn (1729-1786) en Naftali Herz Wessely (1725-1805). Verder kreeg hij les van leermeesters als Pos (wiskunde), Zeelander (tekenen) en stak hij veel op van letterkundige vrienden als Mozes Lemans, Hartog Sommerhausen, David Meldola en Joachim van Embden die, evenals Mulder zelf, lid waren van het letterkundige genootschap Tongeleth. Behalve van Tongeleth was Mulder lid van het genootschap Tot Nut en beschaving, waarvan hij bijna vijftig jaar lid zou blijven, en van wiskundige genootschappen als Mathesis Artium Genetrix en "Een onvermoeide arbeid komt alles te boven". Ook dat laatste genootschap mocht Mulder bijna een halve eeuw tot zijn leden rekenen.
Hoewel Mulder door zijn vader was voorbestemd voor het diamantvak, legde hij zich vanaf zijn 16e jaar toe op studie en onderwijs en ging hij werken als onderwijzer. Zijn eerste acte haalde hij in 1812 op 20-jarige leeftijd. In 1818 behaalde hij de graad van huisonderwijzer in de moderne talen en de wiskunde.
Behalve als onderwijzer werkte Samuel Mulder als vertaler. Een vak dat hij vanaf zijn beëdiging in 1817 zijn hele leven zou blijven uitoefenen. Mulder had zeer duidelijke ideeën over het vertaalwerk en won bij Tot Nut en Beschaving een zilveren penning voor zijn prijsvraagbeantwoording over dit onderwerp. Een van zijn belangrijkste vertaalwerken was zijn bijbelvertaling. Met deze vertaling werkte Mulder in de geest van de Haskala (= joodse Verlichting) en droeg hij bij aan de emancipatie van zijn geloofsgenoten. Deze waren aan het einde van de achttiende eeuw het Nederlands over het algemeen nog niet of nauwelijks machtig, wat hun integratie niet bepaald bevorderde. Hoewel zijn bijbelvertaling veel bijval vond, kreeg hij ook kritiek van de auteur van de brochure "Mozes Mendelssohn en Samuel Mulder". Die kritiek vond echter weinig bijval. Samen met Mozes Lemans vervaardigde hij voorts het "Hebreeuws-Nederduitsch Woordenboek" en schreef hij nog "Bijbel voor de Israel. Jeugd". Naast zijn werk als vertaler was Mulder ook actief op letterkundig gebied. Zo schreef hij binnen Tongeleth Hebreeuwse poëzie. Een deel van zijn literaire werk werd in 1844 gepubliceerd in "Verspreide Lettervruchten".
In 1822 was Mulder getrouwd met Carolina Hartong, de dochter van de lakenhandelaar Jacob Hartong. Bijna 40 jaar was hij met haar getrouwd en uit dit huwelijk zouden 2 zonen en 3 dochters geboren worden. Het huwelijk droeg volgens zijn biograaf E.B. Asscher veel bij aan zijn levensgeluk. Hij werd echter ook door verschillende persoonlijke rampen getroffen. Zo verloor hij een van zijn dochters (die een 13-jarige zoon achterliet) en zijn vrouw.
Al van jongs af aan was Mulder ook op bestuurlijk terrein werkzaam. Zo was hij al in zijn jeugd secretaris van het Doodgravers-Collegie. In zijn functie als secretaris van de Nederlands-Israelietische Hoofdsynage, die hij de laatste 14 jaar van zijn leven bekleedde, was hij de spil van de Joodse Gemeente. In 1861 reisde Mulder op uitnodiging van het kerkbestuur en in gezelschap van politiecommissaris Isaac Tobias Philips (die tevens een aantal bestuurlijke taken binnen de joodse gemeenschap bekleedde) en George Rosenthal (zoon van de bekende boekenverzamelaar Leeser Rosenthal) en diens vrouw Sophie Rosenthal-May naar Duitsland om zich te oriënteren op de synagogale eredienst, de badinrichting en de begrafenisrituelen. Tevens kreeg hij van zijn mederegenten van het NederIands-Israelietisch Seminarium de opdracht naar een geschikte kandidaat voor het rectoraat van het seminarium uit te kijken. Mulder rapporteerde aan het bestuur van het Ned. Isr. Seminarium dat hij aan drie kandidaten een bezoek had gebracht.
Van deze drie kandidaten was J.H. Dünner degene die in november 1861 voor een kennismakingsgesprek werd uitgenodigd. Een klein jaar later, op 15 september 1862, kon hij door S.W. Josephus Jitta als rector worden geïnstalleerd. Samuel Mulder heeft verder, samen met rabbijn Mayer Lehren en rabbijn Salman Rubens, de grote reorganisatie van het Ned. Isr. Seminarium die tijdens het rectoraat van Dünner haar beslag zou krijgen, voorbereid. De uitvoering ervan heeft Mulder echter niet meer mogen meemaken, want niet lang na de installatie van Dünner overleed hij op 29 december 1862 in zijn geboortestad.
Seder hagada le-lele pesach im targoem hollandit. Hagadah of
1906
hagada met nederlandse vertaling en illustraties.
Collectie > Museumstukken > 01028