Dichteres Hanny Michaelis debuteerde in 1949 met de bundel "Klein voorspel". Daarna volgden nog "Water uit de rots" (1957), "Tegen de wind in" (1962), "Onvoorzien" (1966) en "De rots van Gribraltar" (1969). In 1966 kreeg ze de Jan Campert prijs en in 1995 de Anna Bijns prijs. Hanny Michaelis overleed op 11 juni 2007 en werd daags daarna op de joodse begraafplaats Muiderberg begraven.
| geboren | 1922-12-19 Amsterdam |
| overleden | 2007-06-11 Amsterdam |
| vader | Michaelis, Alfred |
| moeder | Swaab, Gonda Sara |
| partner | Reve, Gerard 1948-1959 |
| huwelijk | 1948 Amsterdam |
| beroep | dichter |
Op 19 december 1922 werd Hanny Michaelis in Amsterdam geboren als enig kind van Alfred Michaelis en Gonda Swaab. Haar vader was afkomstig uit Königsberg. De stad van Kant en Schopenhauer, zoals vader Michaelis er altijd trots aan toevoegde. Alfred Michaelis was afkomstig uit een welgesteld, ontwikkeld en liberaal joods milieu. Toen de vader van Alfred overleed, bleek echter dat deze grote schulden had opgebouwd en Alfred moest noodgedwongen zijn opleiding aan het conservatorium van Berlijn afbreken. Op zeventienjarige leeftijd trok hij toen naar Amsterdam om er voor zijn oom Adolf Goldberg als handelsreiziger te gaan werken; een vak waar hij niet echt geschikt voor bleek te zijn. In Amsterdam leerde hij in het pension waar hij woonde zijn aanstaande vrouw Gonda Swaab kennen met wie hij in 1920 of 1921 zou trouwen.
Doordat haar vader geen werk had en haar moeder alleen de kost moest zien te verdienen, groeide Hanny Michaelis op in tamelijk armoedige omstandigheden. Het was echter wel een ontwikkeld milieu en van vader Michaelis herinnerde zij zich later dat deze veel pianospeelde. Deze jeugdherinnering verwerkte ze in 1949 in de prachtige regels "Twee smalle handen over de ivoren/ toetsen scheppen hun eigen romantiek…". Na de Montesori lagere school ging Hanny Michaelis naar het Vossiusgymnasium waar ze onder andere les kreeg van de historicus Jacques Presser en de bekende Neerlandicus D.A.M. Binnendijk. In 1941 deed ze eindexamen en in juli 1942 dook ze - nadat ze een oproep voor deportatie had gekregen - onder bij een gereformeerd gezin in Leiden waar ze als dienstmeisje de kost verdiende. Haar ouders werden opgepakt en op 26 maart 1943 in Sobibor vermoord.
Na de oorlog had Hanny Michaelis verschillende baantjes. Zo werkte ze bij Volksherstel, Uitgeverij Meulenhof en het Nieuw Israelitisch Weekblad (NIW). Tussen 1957 en 1984 was ze parttime ambtenaar bij de afdeling kunstzaken van de gemeente Amsterdam. Daarnaast was ze bestuurslid voor de Vereniging voor Letterkundigen en vice-voorzitter van de Federatie van Kunstenaars. Ook werkte ze als vertaalster. In 1947 leerde ze Gerard Reve kennen met wie zij in 1948 zou trouwen. Het huwelijk liep in 1959 uit op een scheiding omdat Gerard Reve inmiddels de herenliefde had ontdekt. Hanny en Gerard zouden hun verdere leven overigens wel vrienden blijven.
In 1949 debuteerde Hanny Michaelis met de bundel "Klein voorspel", waaruit ook de hierboven geciteerde regels over haar vaders pianospel afkomstig zijn. Na dit succesvolle debuut volgden nog "Water uit de Rots" (1957), "Tegen de wind in" (1962), "Onvoorzien" (1966) en "Wegdraven naar een nieuw Utopia" (1971). Haar gedichten zijn tamelijk somber van toon en gaan over thema's als weemoed, verlangen, schuld, gemis, afscheid en dood. Deze zware thema's weet zij echter door een lichtvoetige en persoonlijke stijl toch toegankelijk te maken. Als dichter was zij tamelijk succesvol en Hanny Michaelis kreeg verschillende prijzen, zoals in 1966 de Jan Campert Prijs en in 1995 de Anna Bijns Prijs. In 1996 verschenen haar "Verzamelde gedichten" en J.J. Voskuil publiceerde in 2006 een bloemlezing uit haar werk. Nieuwe bundels publiceerde zij na 1971 niet meer. Hanny Michaelis overleed op 11 juni 2007 en werd een dag later op de joodse begraafplaats van Muiderberg begraven.
Verzamelde gedichten
1996
Verzamelde gedichten.
Collectie > Literatuur > 12005535