Hartog Hartog de latere stichter van Hartogs Vleeschfabrieken werd in 1847 in Brakel geboren. Zijn vader overleed drie maanden na de geboorte van Hartog en zijn moeder trouwde ruim een jaar later met de veehandelaar en slager Isaak van Zwanenberg en het gezin vestigde zich in Heesch.
| geboren | 1847-06-11 Brakel |
| overleden | 1926-03-10 Nijmegen |
| vader | Hartog, Jacob Levie |
| moeder | Dijk, Catharina van |
| partner | Bergh, Marjanna van den 1851=1922 |
| huwelijk | 1872 |
Op 11 juni 1847 werd Hartog Hartog, de latere stichter van Hartog's Fabrieken, te Brakel in de Bommelerwaard geboren. Toen Hartog amper drie maanden oud was overleed zijn vader Jacob Hartog. Zijn moeder, Catharina van Dijk, keerde met het kind terug naar haar geboorteplaats Alem. Ruim een jaar later trouwde de weduwe met een veehandelaar en slager uit Heesch, Isaak van Zwanenberg. Het milieu waarin de jonge Hartog opgroeide bleek een goede leerschool te zijn voor een ondernemer in spé. Uit het tweede huwelijk van zijn moeder zouden nog vijf kinderen geboren worden. Het vierde kind, Arnold van Zwanenberg, stichtte later samen met zijn neef Nathan, Zwanenberg's Fabrieken.
Hartog bleef tot zijn huwelijk in Heesch wonen. Tijdens de Frans-Duitse Oorlog van 1870-1871 was hij vanwege de mobilisatie in Nederland enige tijd dienstplichtig militair geweest. Al op jeugdige leeftijd was hij actief als slager, waarschijnlijk in de zaak van zijn stiefvader. In november 1872 kwam Hartog op eigen benen te staan. Hij trouwde met Marjanna van den Bergh, een dochter van Daniel van den Bergh, die in 1856 een van de eerste industriëlen van Oss werd, toen hij met het fabriceren van watten begon. Het contact met de familie Van Zwanenberg bleef voorlopig bestaan. Het jonge paar woonde in Oss en Hartog verdiende de kost als koopman. Naast het koopmanschap (vermoedelijk veehandel) ging Hartog zich nog op een ander beroep toeleggen. Hij vroeg in 1876 een hinderwetvergunning aan voor de oprichting van een vleeshouwerij. Rond 1883 ging Hartog het vet dat overbleef bij het slachten van varkens bewerken als grondstof voor margarine en verkocht dit o.a. aan de margarinefabrieken van Van de Bergh en Jurgens.
In 1890 lijkt de groei van Hartog's onderneming pas goed op gang te komen. Naast de al bestaande slagerij en kuiperij in de Peperstraat begon Hartog op de Varkensmarkt een stoomvetsmelterij. Jacob Hartog, de oudste zoon van Hartog Hartog, was bij de margarine- fabrikant Van den Bergh in de leer geweest. Met behulp van de daar opgedane kennis kon Hartog bakkersvet gaan produceren. De expansiedrang van Hartog werd steeds groter. In 1893 slaagde Hartog er in om uit het vet dat van de vetsmelterij kwam zeep te maken en breidde het bedrijf met een 'zeepziederij' uit.
In 1894 werd de exportslachterij voor de vijfde keer sinds de oprichting verplaatst, nu definitief, naar een terrein in 'de Rooijen' en in 1897 bracht Hartog al zijn bedrijven daar bij elkaar. In 1902 werd Jacob Hartog officieel vennoot van zijn vader. De andere zonen volgden later. De slagerij, vetfabriek en zeepfabriek werden vergroot en er werd een bloeddrogerij opgericht. In 1904 volgde een baconzouterij en in 1905 een darmenzouterij. In 1905 verhuisde het gezin van Oss naar Nijmegen omdat hier de opleidingsmogelijkheden voor de kinderen en de woonomstandigheden gunstiger zouden zijn. In 1906 begon men met de fabricage van vleeswaren en in 1911 werd nog een margarinefabriek opgericht. De firma Hartog was in die jaren een (handels-)vennootschap onder firma met vijf deelnemers: Hartog Hartog en zijn drie zonen Jacob, Arnold en Isaac. Arthur, de jongste zoon, werd op 28 december 1914 opgenomen, pas nadat hij al enkele jaren in het bedrijf werkzaam was. Zoon Simon had zich inmiddels in Londen gevestigd om als vertegenwoordiger van Hartog op te treden en associeerde zich met A.J. Mills. De zoons Hartog in Oss namen ieder een bepaald onderdeel van het bedrijf onder hun hoede. Hartog Sr. trok zich in 1914 uit de directe leiding terug. Hij bleef wel tot zijn dood, in 1926, bij het bedrijf betrokken en kwam regelmatig in Oss om zich op de hoogte te laten stellen van de gang van zaken.