Uri Halevi's naam is vooral verbonden met het ontstaan van de Portugees-joodse gemeenschap in Amsterdam. Hij zou het zijn die een groep van 10 spaanse marranen en 4 kleine jongens zou hebben besneden en de eerste beginselen van het jodendom bijbracht. Uri Halevi werd omstreek 1544 geboren. In 1604 kwam hij naar Amsterdam. Hij vervulde verschillende functies binnen de Portugees-joodse gemeente. In 1622 is hij naar Emden teruggekeerd. Vermoedelijk is hij nog voor 1627 overleden.
| geboren | 1544 (ca.) Emden |
| overleden | 1627 (voor |
De naam Uri Halevi is vooral verbonden met twee van de drie stichtingsmythes rond de Portugees-joodse gemeente in Amsterdam. Naast de mythe van de beeldschone Maria Nunes, die bescherming van de Engelse koningin Elisabeth afwijst om in Amsterdam in alle vrijheid tot het jodendom te kunnen terugkeren, is er de mythe van de Portugese nieuw-christenen die in Emden Uri Halevi tegenkomen. Deze raadt hen aan naar Amsterdam te gaan waar hij ze helpt een joodse gemeente op te zetten. De derde stichtingsmythe betreft de arrestatie van Uri Halevi waarbij hij tegenover de schout de grote bloei voorspelt die Amsterdam zal gaan doormaken als de joden er zich mogen vestigen.
De mythes over Uri Halevi werden voor het eerst rond 1673 beschreven door zijn in 1627 geboren kleinzoon Uri Aaron Halevi en in 1710-1711 gedrukt. De historicus Robert Cohen heeft er terecht op gewezen dat het eigenlijk vooral dankzij die mythische verhalen is dat namen als die van Uri Halevi en Maria Nunes nog steeds bekend zijn. De werkelijkheid van hun levens was waarschijnlijk heel wat prozaïscher. Op basis daarvan zouden ze waarschijnlijk al lang vergeten zijn.
Uri Halevi moet omstreeks 1544 geboren zijn. Volgens de zeventiende-eeuwse historicus Levi de Barrios was dat in de Oost-Friese havenstad Emden. De begin-twintigste-eeuwse historicus Jacob Zwarts meent dat Halevi in Brunswijk is geboren. Rond 1574 werd hij volgens Zwarts tot rabbijn in Emden benoemd. Enkele jaren later werd op 29 juni 1578 zijn zoon Aaron geboren.
In de lente van 1602 kwam Uri Halevi aan in Amsterdam. Hier nam hij zijn intrek in een huis in de Jonkerstraat nabij de Montelbaanstoren, waar hij joodse godsdienstoefeningen hield. Verder schijnt hij slachter en (evenals zijn zoon Aaron) besnijder geweest te zijn.
Op 14 september 1603 werd Uri Halevi in aanwezigheid van zijn zoon in zijn huis aan de Jonkerstraat gearresteerd op verdenking van heling. De beschuldiging bleek vals en Halevi werd later weer vrijgelaten. Tijdens de verhoren bleek het hierboven vermelde feit dat Uri Halevi in zijn huis godsdienstoefeningen hield. Deze werden door de Hoogduitse Halevi volgens de asjkenazische ritus gehouden. Hij ontkende tijdens zijn verhoor ten stelligste ook volwassen mannen te besnijden, iets wat toen in Amsterdam op straffe van de dood verboden was.
Tijdens de arrestatie van Uri Halevi waren, behalve zijn zoon, ook Jacob Tirado, David Querido en Daniel Pereyras aanwezig. De eerstgenoemde stelde zijn huis open voor Portugese joden om te bidden. Tirado was in 1598 in Amsterdam komen wonen en zou in 1612 weer vertrekken.
In 1604 vaardigde de Portugees-joodse gemeenschap Uri Halevi, die in Nederlandse akten ook wel Philip Joosten genoemd wordt, af om een andere woonplaats voor de Portugese joden te vinden waar zij meer godsdienstvrijheid zouden genieten. Hij diende een petitie in bij het stadsbestuur van Alkmaar die op 10 mei 1604 gunstig beslisten. In de verwachting dat de gemeenschap zich spoedig in Alkmaar zou vestigen werd in datzelfde jaar een stukje grond in Groet gekocht voor een begraafplaats. De economische voordelen van Amsterdam bleken echter zwaarder te wegen dan de Alkmaarse vrijheden. De begraafplaats werd in 1607 aan de joodse gemeente in Amsterdam overgedragen. Die heette inmiddels Beth Jacob, waarschijnlijk naar Jacob Tirado die zoals we gezien hebben zijn huis voor synagogediensten beschikbaar stelde.
In 1608 kwamen de rabbijn Jozef Pardo en zijn zoon David vanuit Venetië naar Amsterdam. Vanaf nu kon de stichting van een echte Portugees-joodse gemeente vorm krijgen. Over conflicten tussen de nieuwe rabbijn en Uri Halevi is niets bekend. Hij en zijn zoon Aaron bleven tal van belangrijke functies in de Portugese gemeente vervullen. Volgens de historicus David Swetschinski leidde Uri-Halevi voordien vooral de informele diensten in het huis van Jacob Tirado.
Tot 1614 gebruikten de Portugese joden in Amsterdam de begraafplaats in Groet. In 1614 verwierven zij een stuk grond in Ouderkerk aan de Amstel voor een nieuwe en beter bereikbare begraafplaats. Enige jaren later, in 1618, kwam het tot een scheuring binnen de Portugees-joodse gemeente Beth Jacob. Er zou een conflict achter schuil gaan tussen zeer orthodoxe en meer vrijzinnige joden. Abraham Pharar en David Curiel vertegenwoordigden de vrijzinnigen en Chacham Pardo vertegenwoordigde de orthodoxe richting. De Pharar-groep kon al gauw bewijzen dat Beth Jacob van hun was. De andere groep moest uitzien naar een andere ruimte. Volgens Odette Vlessing speelde een conflict tussen joden en christenen over de begraafplaats in Ouderkerk een rol in de scheuring van 1618. Uri Halevi leidde in dat jaar een school van Beth Jacob.
Enkele jaren later, in 1622, heeft Uri Halevi Amsterdam definitief verlaten en keerde terug naa Emden. Hij was toen 78 jaar oud. Waarschijnlijk is hij nog voor de geboorte van zijn kleinzoon Uri Aaron Halevi in 1627 overleden.