Izak Graanboom (1738-1807) werd in Zweden geboren en verhuisde op zijn 12e naar Amsterdam. Hij schreef: "Zera Jitschak". In 1797 werd hij benoemd tot opperrabbijn van de afgescheiden Nieuwe Gemeente. Rond 1790 werd hij rabbinaal assessor van de Hoogduitse Joodse Gemeente.
| geboren | 1738 Zweden |
| overleden | 1807 Overveen |
| vader | Graanboom, Abraham |
| moeder | Hoffinghoff, Elsa |
| broers | Graanboom, Abraham 1717=? Graanboom, Izak ? =1780 Graanboom, Daniel Graanboom, Mattias |
| zussen | Graanboom, Cecilia 1726=? Graanboom, Elsa 1729=? |
| beroep | opperrabbijn |
| functies | Opperrabbijn Nieuwe Gemeente 1797=? Rabbinaal assessor Hoogduitse Joodse Gemeente ca. 1790=? |
In 1738 werd Izak Graanboom in Zweden geboren als zoon van arme ouders die toen nog de naam Granbom droegen. Izak was één van de acht kinderen uit het gezin Granbom. Drie zusters had hij en vier broers. Rond 1750 besloot zijn vader, Jacob Granbom, naar Nederland te verhuizen en kwam Izak met zijn familie in Amsterdam terecht. Daar gingen zij tot het jodendom over. In 1811 werd de familienaam Granbom vernederlandst tot Graanboom. Izak Graanboom, die aanvankelijk de naam Mathias droeg, kreeg na de overgang tot het jodendom de namen Aron Mozes Izak maar werd kortweg Izak genoemd.
Toen het gezin Granbom van Zweden naar Amsterdam verhuisde was Izak twaalf jaar oud. Hij bleek zeer goed te zijn in de studie van de joodse wet en werd rabbinaal assessor van de Hoogduitse joodse gemeente. In 1789 schreef hij een religieus werkje getiteld "Zera Jitschak" (= zaad van Izak). Onder andere de Amsterdamse opperrabbijnen Saul Loewenstamm en David d'Azevedo schreven er een goedkeurend voorwoord bij. Uit Loewenstamms voorwoord blijkt dat Izak Graanboom het werkje in een week had geschreven om er de bruidsschat voor zijn dochter Rebecca mee te kunnen vergaren. In deze periode was Graanboom vooral bekend onder de naam Izak Ger (=bekeerling). Deze naam werd na zijn overstap in 1797 naar de afgescheiden gemeente Adat Jessurun vaak verhaspelt tot 'Getz', wat afgodendienaar of nar betekent. Er werd een vreselijke hetze en lastercampagne tegen Graanboom gevoerd en zijn eerste synagogedienst voor de nieuwe gemeente ging dan ook niet onopgemerkt voorbij.
Abraham Bing, een Amsterdamse jood die een jiddische kroniek van de Franse tijd heeft bijgehouden, schrijft over deze eerste dienst: "Er was een grote oploop en de rabbijn werd gebracht door een patrouille burgers met scherp geladen (geweren). Ook de nationale ruiterij was op de been, die de mensen die de zogenaamde synagoge wilden binnengaan, geassisteerd hebben." Er ontstond een pamflettenstrijd waarin de oude en de nieuwe gemeente met elkaar polemiseerden. In de lastercampagne tegen Graanboom werd steeds zijn niet-joodse afkomst naar voren gebracht. De rest van Izaks leven zou de hetze voortduren. Izaak Graanboom overleed op 12 maart 1807 op 68-jarige leeftijd en werd op de begraafplaats van Adat Jessurun in Overveen ter aarde besteld.