David Friedrichsfeld werd omstreeks 1755 in Berlijn geboren. Hier kwam hij onder invloed te staan van de bekende joodse verlichter Moses Mendelssohn. In 1781 vestigde hij zich te Amsterdam waar hij een van de voormannen werd van de strijd voor de joodse emancipatie. Hij overleed in 1810 in Amsterdam.
| geboren | 1755 (ca.) Berlijn |
| overleden | 1810-02-19 Amsterdam |
David Friedrichsfeld werd omstreeks 1755 in Berlijn geboren. De naam Friedrichsfeld verwijst naar de plaats waar zijn vader vandaan kwam. Op jeugdige leeftijd knoopte Friedrichsfeld nauwe betrekkingen aan met David Friedländer, die hem introduceerde bij de beroemde filosoof Mozes Mendelssohn. Hij raakte onder de indruk van diens werk en werd beïnvloed door de idealen van de Verlichting. In dezelfde periode werd hij lid van een gezelschap voor de bevordering van het Hebreeuws dat bijeenkwam ten huize van Naftali Hirsch Wessely. De in deze kringen opgedane ideeën bleven de rest van zijn leven een grote rol spelen. Hij publiceerde in deze periode ook zijn eerste Hebreeuwse gedichten, voornamelijk bruiloftsliederen, waarvan de kenmerken eerder Europees dan typisch joods waren. Ook in zijn latere leven zou Friedrichsfeld zich met het Hebreeuws blijven bezig houden.
In 1781 vertrok Friedrichsfeld om niet opgehelderde redenen naar de Republiek waar hij zich als een van de eersten aansloot bij de joodse patriottenclub Felix Libertate. Ook was hij op 4 maart 1795 betrokken bij het planten van de vrijheidsboom op de Dam. Verder staat zijn handtekening onder een verzoek om toestemming aan de gemeenteraad om in oktober 1795 een joodse burgerwacht te mobiliseren. In diezelfde periode schreef Friedrichsfeld een groot aantal pamfletten, waaronder 'De Messias der Joden' en 'Ophelderingen over 't advies van den Burger van Swinden aan de Representanten des Volks van Holland', waarin hij fel van leer trok tegen de toen in zwang zijnde opinies over joden. De geschriften van Friedrichsfeld hebben een aanzienlijke invloed gehad op de discussies die in 1796 uiteindelijk leidden tot de emancipatie van de Nederlandse joden.
Op 24 maart 1797 vond er binnen de Hoogduitse gemeente een afscheiding plaats die leidde tot de oprichting van een nieuwe gemeente, de zogenoemde Neie Kille. Bij de oprichters van deze nieuwe gemeente, die de naam Adat Jessurun zou krijgen, behoorde ook David Friedrichsfeld. Samen met Rabbijn Jitschak Graanboom schreef hij een loflied bij de inwijding van de nieuwe synagoge. De strijd tussen de oude en de nieuwe gemeente werd voornamelijk gevoerd in de het jiddisje tijdschrift "Diskursen" waarin Friedrichsfeld zijn tegenstanders onder het pseudoniem Filanthropos (mensenvriend) in scherpe bewoordingen te lijf ging. Dit bezorgde hem vele vijanden, die hem de bijnaam Falderappes gaven. In latere jaren werd zijn naam niet meer in verband met Adat Jessurun genoemd.
Begin negentiende eeuw nam David Friedrichsfeld zijn intrek bij de familie Mulder. Een zoon des huizes, de later zo bekende S.I. Mulder, was één van de oprichters van het letterkundige genootschap Tongeleth. Mulders ideeën over het Hebreeuws schijnen vooral door Friedrichsfeld gevormd te zijn. In 1808 ontbrandde er in Nederland een strijd tussen voorstanders van de Aschkenazische uitspraak van het Hebreeuws en degenen die een voorkeur hadden voor de Sefardische uitspraak. Samen met onder andere Mozes Lehmans koos Friedrichsfeld voor het laatste, waarbij hij als argument aanvoerde, dat het overgrote deel der joden op deze wijze bad. Door deze keuze ondervond hij veel tegenstand in eigen kring. Het bezorgde hem zelfs de bijnaam 'afvallige'. Op 9 november 1810 overleed David Friedrichsfeld in Amsterdam. Onder zijn nagelaten geschriften bevinden zich enkele politieke gedichten (waarvan er een gewijd is aan de Vrede van Amiens) en een biografie van zijn jeugdvriend Naftali Hirsch Wessely.