
Joseph Hirsch Dünner (1833-1911) werd in 1865 rector van het seminarium van Amsterdam en in 1874 opperrabbijn van de Ned. Isr. Hoofdsynagoge. Ook in dat jaar publiceerde hij zijn "Die Theorien uber Wesen und Ursprung der Tosephta". Later werd hij leider van de Mizrachie partij.
| geboren | 1833-01-11 Krakau |
| overleden | 1911-10-13 Amsterdam |
| vader | Diner, Lazar |
| moeder | Herschlownej, Reisli |
| broers | Dünner, Wolf Dünner, Mendel Dünner, Abraham Mozes |
| partner | Landauer, Sara 1847-11-15=1937-02-09 |
| huwelijk | 1866-05-28 Amsterdam |
| beroep | opperrabbijn |
| functies | rector Ned. Isr. Seminarium van Amsterdam opperrabbijn Ned. Isr. Hoofdsynagoge leider Mizrachie partij |
Op 11 januari 1833 werd in het Poolse Krakau Joseph Hirsch Dünner geboren als zoon van Lazar Diner en Reisli Herschlowny. Zijn ouders waren niet erg bemiddeld en verdienden hun brood met een geschenkenwinkeltje. Lazar en Reisli kregen vier zonen die later allemaal naar het westen zouden uitwijken: Joseph Hirsch, Wolf, Mendel en Abraham Mozes. Op zijn vierde bezocht Joseph Hirsch het Cheider en na zijn bar mitswa ging hij naar het Beth Hamidrasj. Het talmoedonderwijs in Galicië stond in die jaren op een hoog niveau zodat de jonge Joseph een uitstekende studie kon volgen in de rabbijnse literatuur.
De achttiende-eeuwse Haskala (= joodse Verlichting) werkte in het Gallicië van het midden van de negentiende eeuw nog altijd sterk door. Aanhangers van de Haskala streefden naar emancipatie van de joden door de joodse cultuur aan te passen aan de Europese. De ideeën van de Haskala werden echter niet overal gewaardeerd. Een discussie over de Haskala bij de jonge Dünner thuis schijnt een keer te zijn uitgelopen op een hooglopende ruzie die eindigde in een steekpartij waarbij Dünner ernstig werd verwond. De historicus Wettstein schrijft hierover:"(...) hij [de jonge Dünner] werd doorboord als heilige martelaar van de Haskala (...)". Waarschijnlijk vormde deze steekpartij voor Joseph Hirsch de aanleiding voor zijn vertrek naar Duitsland waar hij aan de universiteit wilde gaan studeren.
Voordat Dünner aan een universitaire studie kon beginnen moest hij eerst aan het gymnasium van Munsterfeld lessen Latijn en Grieks volgen. In Bonn studeerde hij vervolgens van 1859 tot 1862 aan de Rheinische Friedrich-Wilhelms-Universität en nog datzelfde jaar promoveerde hij aan de universiteit van Heidelberg. Dat Dünner zo snel promoveerde was noodzakelijk omdat het de bedoeling was dat hij nog datzelfde jaar tot rector zou worden benoemd van het Nederlands-Israelietisch Seminarium in Amsterdam. De benoeming tot rector verliep echter nogal langzaam. Pas in 1865 was de benoeming van Dünner rond. De inbreng die Dünner heeft gehad op het Seminarium is niet gering. De nieuwe rector richtte een gymnasiale afdeling op, bracht de nodige orde en tucht op de school en moderniseerde het onderwijs in de rabbijnse literatuur. Ook zorgde Dünner ervoor dat het academische niveau van de school werd verhoogd.
In 1874 werd Dünner opperrabbijn van de Nederlandse Israelietische Hoofdsynagoge. Joseph Hirsch Dünner deed onder andere onderzoek naar de Halacha (= joodse wetgeving) en concentreerde zich later vooral op de Tosefta, een werk uit de rabbijnse literatuur. Zijn onderzoek mondde in 1874 uit in het boek "Die Theorien ueber Wesen und Ursprung der Tosephta". Dünner was voorstander van vestiging van het joodse volk in Israël en werd later leider van de Mizrachi partij. Op 13 oktober 1911 overleed hij in Amsterdam.