Uriel da Costa (1584/85-1640) werd in het Portugese Porto geboren. Tussen 1612 en 1615 week de familie uit naar Holland, waar ze zich tot het jodendom bekeerden. Uriel kwam o.a. in conflict met Leon de Modena en Samuel da Silva over geloofszaken. In 1639 werd Da Costa in de ban gedaan door de Portugese synagoge in Amsterdam.
| geboren | 1583/1584 Porto (Portugal) |
| overleden | 1640-04 Amsterdam |
| vader | Costa Brandao, Bento da |
| moeder | Dinis, Branca |
| broers | Costa, Aaron da Costa, Mordechai da Costa, Abraham da Costa, Joseph da |
| partners | Crasto, Francisca de ?=1628 Costa, Digna da |
| beroep | koopman |
| functies | schatmeester Stiftkerk van Porto 1609=1615? schatmeester Stiftkerk te Porto 1608=1612c |
Ergens tussen november 1583 en maart 1584 werd in de Portugese stad Porto Uriël da Costa geboren die bij die gelegenheid de christelijke naam Gabriël meekrijgt. Zijn ouders, Bento da Costa Brandao en Branca Dinis, stamden beiden uit geslachten van zogenaamde 'Nieuw-christenen' of marranen. Dit waren joden die zich tegen het einde van de vijftiende eeuw onder druk van de inquisitie tot het christendom hadden bekeerd. Zijn ouders waren vrome katholieken en voedden ook de jonge Gabriël op als goede katholiek. Gabriël was het tweede kind in een gezin dat uiteindelijk uit zes kinderen zou bestaan. De familie Da Costa bewoonde in Porto een fraai huis in een goede buurt en waren tamelijk welgesteld. Zo hadden zij de beschikking over huispersoneel en rijpaarden en in 1601 verwierf Gabriëls vader zelfs een adellijke titel. Zijn geld verdiende vader Da Costa als koopman en hij handelde vooral in port, katoen en Braziliaanse suiker.
Van 1600 tot 1608 studeerde Gabriël da Costa met onderbrekingen canoniek recht aan de universiteit van Coimbra. Toen zijn vader in 1608 overleed, keerde hij terug naar zijn geboortestad waar hij een lucratieve betrekking kreeg als schatbewaarder van de collegiale kerk S. Marthindo de Cedofeita. Hoewel hij daarmee de eerste stap zette op de weg van een kerkelijke carrière (hij ontving zelfs de tonsuur) zette hij die lijn niet voort. Op 5 maart 1612 trouwde hij namelijk in zijn parochiekerk in Porto met de uit Lissabon afkomstige Francisca de Crasto. In de jaren daarna bracht nauwgezet onderzoek van het Oude Testament hem bovendien terug naar het geloof van zijn voorouders. Ook zijn vrouw, moeder en drie van zijn broers overreedde hij vervolgens terug te keren naar het jodendom.
In maart 1614 gingen Gabriël, zijn moeder, zijn vrouw, de drie bovengenoemde broers en een schoonzus heimelijk scheep naar Amsterdam. Nieuw-christenen mochten Portugal namelijk niet zonder koninklijke toestemming verlaten. In Amsterdam aangekomen gingen zij over tot het jodendom en lieten de mannelijke leden zich besnijden. Gabriël nam bij die gelegenheid de joodse naam Uriël aan. Vervolgens reisden Uriël, zijn oudere broer Jácome (Abraham), hun beider vrouwen en hun moeder door naar Hamburg waar zij een handelspost opzetten.
De kennismaking met het rabbijnse Jodendom viel Uriël nogal tegen. Zijn beeld van het jodendom was immers uitsluitend gebaseerd op lezing van het Oude Testament. Hij zette zijn bezwaren tegen het Talmoedische Jodendom op schrift en stuurde in 1616 zijn "Propostas contra a tradicao" (= stellingen tegen de traditie) op naar Venetië, waar de Sefardische rabbijnen, op aanraden van hun bekende en gezaghebbende Asjkenazische collega Leon Modena, tegen hem in het geweer kwamen. In de "Propostas" sprak Da Costa namelijk zijn twijfel uit over de goddelijkheid van de zogenoemde mondelinge wet, die volgens hem vaak in tegenspraak is met de Wet van Mozes. Bovendien geloofde hij niet in de leer van de onsterfelijkheid der ziel waarover hij in de boeken van Mozes niets kon vinden.
Modena raadde zijn Hamburgse collega’s aan om Uriël, als deze in zijn ketterse opvattingen zou volharden, in de ban te doen. Dit zou uiteindelijk in 1618 ook in absentia gebeuren in de Sefardische synagoge van Venetië. Ook in Hamburg werd deze ban tegen Da Costa dat jaar bevestigd. Toch bleef Uriël nog enige jaren in Hamburg wonen om in 1623 naar Amsterdam te gaan. Ondertussen werkte Uriël da Costa zijn bezwaren tegen de traditie verder uit in een boek dat hij in 1624 zou publiceren onder de titel “Exame das tradicoes phariseas conferidas com a lei escrita” (Onderzoek naar de farizese traditie vergeleken met de geschreven wet). Nog voor het uit kwam had de Hamburgse arts Semuel da Silva (1570/1-1631) de hand weten te leggen op enkele hoofdstukken van het boek en publiceerde deze in 1623 onder de titel “Tradado da immortalidade da Alma” (Traktaat over de onsterfelijkheid der ziel) zijn bezwaren tegen Da Costa’s opvattingen.
Zijn vrijzinnige opvattingen brachten Da Costa in ernstige problemen en op 15 mei 1623 werd zijn Venetiaanse en Hamburgse ban ook in Amsterdam, in aanwezigheid van Da Costa zelf, bevestigd. Desondanks ging hij verder met zijn boek dat in het voorjaar van 1624 werd gedrukt bij Paul van Ravesteyn in Amsterdam (dezelfde drukker die eerder Da Silva’s boek had gedrukt). Het eerste deel van het boek is een nadere uitwerking van zijn eerder genoemde “Propostas” terwijl hij in het tweede deel een weerlegging geeft van het boek van da Silva.
Na publicatie van dit boek namen de gebeurtenissen voor Uriël da Costa een dramatische wending. Enige tijd werd hij zelfs door de wereldlijke overheid opgesloten. Op borgtocht kwam hij vrij om vervolgens uit de stad verbannen te worden. Na de dood van zijn moeder, in 1628, keerde hij terug naar Amsterdam waar ook zijn vrouw kort daarop zou overlijden. Hij hertrouwde met Digna da Costa met wie hij in 1639 in de Vlooyenburgsteeg (Nu Houtkopersdwarsstraat) woonde. Inmiddels had hij zich weer verzoend met de Portugees-joodse gemeenschap. In 1639 kwam het echter opnieuw tot moeilijkheden. In dat jaar onderging hij de boetedoening die hij in zijn autobiografie beschrijft. Hij werd gegeseld, moest zich halfnaakt neerleggen bij de ingang van de synagoge waarna de hele gemeenschap over hem heen moest stappen. Hoewel er over Da Costa’s boetedoening niets te vinden is in het Stadsarchief Amsterdam bevindt zich daar wel de beschrijving van een soortgelijke boetedoening die betrekking heeft op ene Abraham Mendes.
Kort daarop moet hij zijn autobiografische geschrift “Exemplar humanae vitae” hebben geschreven. In dit geschrift is duidelijk een man aan het woord die niets meer te verliezen heeft en alle schepen achter zich verbrand. Hij ontkent nu niet alleen de goddelijkheid van de mondelinge traditie, maar ook de Wet van Mozes beschouwt hij nu als mensenwerk. Alles wat van nut is, is volgens hem opgenomen in de zogenoemde wet der natuur. Kort na voltooiing van het geschrift pleegde Uriël da Costa zelfmoord.
Examination of Pharisaic traditions = exame das tradicoes phariseas ; facsimile of the...
1993
Examination of Pharisaic traditions = exame das tradicoes phariseas ; facsimile
of the unique copy in the Royal Library of Copenhagen, supplemented by Semuel da ...
Collectie > Literatuur > 11509445
Une vie humaine
1926
Une vie humaine.
Collectie > Literatuur > 11504637