Abraham van Collem

Gangwater, Lodewijk

Westergeest, Bram

De dichter Abraham van Collem werd op 13 oktober 1858 geboren in de Rotterdamse jodenhoek. Na een minimale schoolopleiding kwam hij in de textielbranche terecht. Hij was getrouwd met Jetta Vroman. Van Collem was de eerste voorzitter van de in 1899 opgerichte Nederlandse Zionistenbond. Hij schreef gedichten met een sterk joodse, religieuze en socialistische inslag. Van Collem overleed in Heemstede op 3 november 1933.

geboren1858-10-13 Rotterdam
overleden1933-11-03 Heemstede
vaderCollem, Eliazer van
moederVroman, Jetta
partnerPrins, Henriette
huwelijk1890-08-20 Amsterdam
beroepdameskleermaker
functievoorzitter Nederlandse Zionistenbond 1899-1900

De socialistische dichter Abraham van Collem werd op 13 oktober 1858 in de Rotterdamse jodenhoek geboren. Na een minimale schoolopleiding kwam hij, net als de meesten van zijn buurtgenoten, in de textielbranche terecht. Hij zou er zijn hele leven in blijven werken. Eerst in de handel, vervolgens als zelfstandige met een engros-zaak en later - na ernstige financiële moeilijkheden - als handelsreiziger. Nog in 1930 liep hij in Parijs met monsters van stoffen de handelaren af.
Van Collem - die in 1890 trouwde met Henriette Prins - verhuisde in 1895 met zijn gezin naar Amsterdam. Zijn gedichten krabbelde hij in versleten orderboekjes op. De pogroms in de jaren tachtig in Rusland hadden een diepe indruk op hem gemaakt. Ten bate van de vluchtelingen schreef hij een reeks beschouwingen, die hij in 1891 onder de titel 'Russische melodieën' publiceerde. In 1894 reageerde hij in het "Centraal Blad voor Israëlieten in Nederland" op een propagandarede van Willem van Leer ten behoeve van de zogeheten Alliance Israelite Universelle, een internationale organisatie ter bevordering van de emancipatie van de joden. Ook schreef hij in hetzelfde blad beschouwingen over de vernieuwing van het jodendom.
In Amsterdam leerde Van Collem de Oostjoden kennen die hem in aanraking brachten met de Jiddische literatuur. Hij onderhield contacten met (en schreef over) de als vluchteling in Nederland levende dichter Morris Rosenfeld. Van Collem heeft zich altijd voor de emancipatie van misdeelden en verdrukten ingezet. Onder invloed van de denkbeelden van Theodor Herzl werd hij zionist. In 1899 ondertekende hij de circulaire 'Wat wil het Zionisme' en was de eerste voorzitter van de mede door hem in 1899 opgerichte Nederlandsche Zionistenbond. Dit was de enige leidende functie die Van Collem ooit in een organisatie bekleedde. Het bleek een vergissing. Al spoedig beschouwde hij het zionisme niet langer als middel tot verheffing van het joodse proletariaat. Die verheffing kon volgens hem alleen door het socialisme worden bereikt. Binnen een jaar trad hij dan ook af als voorzitter en nam zodoende al in 1900 weer afscheid van het zionisme.
Na het bijwonen van een lezing van Henriëtte Roland Holst over Thomas More en het socialisme was Van Collem socialist geworden. Binnen de SDAP behoorde hij tot de radicaal-marxistische richting. Tussen 1900 en 1910 nam hij afstand van de sociaal-democratie, die naar zijn mening te reformistisch was geworden. Geïnspireerd door de Revolutie in Rusland werd hij communist, maar bij een partij heeft hij zich waarschijnlijk niet meer aangesloten.
In 1920 kwam hij met zijn poging begrip te kweken voor het waardevolle in de eigentijdse burgerlijke kunst in conflict met J.A.N. Knuttel, die deze kunst decadent en stervend achtte. In de polemiek raakte de weinig polemische en niet vasthoudende Van Collem al snel op de achtergrond. Hoewel zijn dichterschap pas laat tot volle ontplooiing kwam, had Van Collem als jongen van veertien jaar al zoveel literaire belangstelling dat hij Multatuli durfde opzoeken toen deze in Rotterdam was. Het was vooral zijn schoonvader die het creatieve genie en de joodse dichterlijke stem in Van Collem ontdekte.
Van Collem was een selfmade man, die door zijn gebrekkige opleiding oneindig veel heeft moeten bijspijkeren. Hij publiceerde feuilletons en gedichten in "De Kroniek", in Heijermans' "De Jonge Gids" (de getto-gedichten van 'Jodenbuurt'), in "De Nieuwe Tijd" (waaraan hij van 1903 tot 1921 meewerkte) en in "De Nieuwe Amsterdammer". Een aantal van deze gedichten is opgenomen in de bundel "Van Stad en Land" (Rotterdam 1906). Zijn eerste belangrijke bundel "Liederen van Huisvlijt" (Bussum 1917) verscheen toen hij al bijna zestig jaar oud was. Daarna volgden in snel tempo andere liederenbundels, met als laatste het grote dichtwerk "God" (Amsterdam 1930). Abraham van Collem overleed in 1933 in Heemstede.


jhm.nljhmkindermuseum.nlhollandscheschouwburg.nlportugesesynagoge.nletshaim.nljoodsmonument.nlmenassehbenisrael.nl