David Cohen

David Cohen (1882-1967) zette zich al jong in voor joodse vluchtelingen. Hij was hoogleraar aan onder andere de Universiteit van Amsterdam. Hij was lid van de Nederlandse Zionistenbond en werd in 1941 benoemd tot voorzitter van de Joodse Raad samen met Abraham Asscher. Hij overleed in 1967.

geboren1882-12-31 Deventer
overleden1967-09-03 Amsterdam
vaderCohen, Hartog (Herman)
moederEssen, Rebecca van
broersCohen, Isaak 1884-02-20=1944-19-04
Cohen, Josef 1886-01-02=
Cohen, Jacob 1888-01-20=1944-01-28
Cohen, Rudolf 1889-07-27=1945-02-27
zusCohen, Line 1894=1978
partnerCohen-Slijper, Corrie
functiesredacteur De Joodsche Wachter 1905-1909
secretaris Nederlandse Zionistenbond 1909
hoogleraar Universiteit Amsterdam 1926-1953
secretaris Comite voor Bijzondere Joodse Belangen 1933-1940
voorzitter Vluchtelingencomite 1933-1940
voorzitter De Joodse Raad 1941-1943

Op 31 december 1882 werd in Deventer David Cohen geboren als eerste kind van de koopman, makelaar en taxateur Hartog (Herman) Cohen en diens vrouw Rebecca van Essen. Na David zouden er nog drie broers en een zuster volgen. In zijn geboortestad Deventer groeide David op en bezocht hij de lagere school, de joodse godsdienstschool en het gymnasium. Op zijn twintigste richtte hij in diezelfde plaats een organisatie op voor hulp aan Oost-Duitse emigranten. Deze kwamen als vluchteling uit Polen en Rusland en wilden vaak naar de Verenigde Staten. David studeerde aan de universiteiten van Leipzig, Göttingen en Leiden en in 1912 promoveerde hij in laatstgenoemde plaats op het onderwerp 'de joodse geschiedenis in de Hellinistische tijd'.
Twee jaar voor zijn promotie was hij leraar geworden aan het Nederlands Lyceum in Den Haag. Zijn belangstelling ging uit naar egyptologie en vooral papyrologie. In dat laatste vak werd hij in 1922 aan de Universiteit van Leiden als privaatdocent aangenomen. Twee jaar later benoemde men hem tot bijzonder hoogleraar in de geschiedenis van de Hellinistische tijd en weer twee jaar later volgde hij aan de Universiteit van Amsterdam professor Boissevain op als gewoon hoogleraar in de Oude Geschiedenis en de Griekse en Romeinse antiquiteiten. Van verschillende joodse besturen, organisaties, commissies en comite's was Cohen lid. Bijvoorbeeld van de Permanente Commissie van het Nederlands Israelietisch Kerkgenootschap. Daarnaast was hij bestuurslid van het Genootschap voor Joodse Wetenschap en curator van het Nederlands Israelietisch Seminarium.
Vanaf zijn jeugd was Cohen zionist en lid van de Nederlandse Zionistische Studenten Organisatie (NZSO). Later werd hij lid van de Nederlandse Zionisten Bond (NZB). Het zionisme werd in ons land fel bestreden door de rabbijnen, die het een anti-joodse stroming vonden. Slechts een klein aantal intellectuelen voelde zich erdoor aangetrokken. Tot dit kleine aantal intellectuelen behoorden naast David Cohen mensen als Fritz Bernstein, Jacobus Kann, Abel Herzberg, Henri en Karel Edersheim en Nehemia De Lieme. In het Nieuw Israelietisch Weekblad (NIW) werd het zionisme aanvankelijk verguisd. Maar door de ontwikkelingen in nazi-Duitsland en vooral na de Kristallnacht van 1938, werd het NIW uiteindelijk een voorstander van het zionisme. David Cohen maakte deze kentering mee als lid van de NZB. Vijfentwintig jaar lang heeft hij zich voor het zionisme ingezet. Dezelfde inzet toonde hij voor de Commissie voor Bijzondere Joodse Belangen, waarvan hij secretaris was. Van deze Commissie was Abraham Asscher voorzitter en samen waarschuwden Cohen en Asscher voor het gevaar van het nationaal-socialisme.
Asscher en Cohen vormden een perfect bondgenootschap. Asscher richtte zich op 'de gewone man', bij voorkeur in grote menigten, terwijl Cohen zich concentreerde op een kleine elitaire bovenlaag. Van 1933 tot 1940 hebben zij zich volledig ingezet voor het filantropische werk van de Commissie. In 1941 werden Cohen en Asscher door de Duitsers benoemd tot voorzitters van de Joodse Raad, waarmee ze uiteindelijk meedraaiden in het vernietigingsapparaat van de bezetter. Beiden overleefden de oorlog en in 1945 keerde Cohen naar Nederland terug uit het concentratiekamp Theresienstadt. De Joodse Ereraad bevond Cohen medeplichtig aan wat gebeurd was met Nederlandse joden en hij kreeg net als Asscher een verbod om nog joodse functies of ambten te vervullen. Ondanks het feit dat Cohen in de periode voor de oorlog veel goed werk heeft gedaan voor de joden, met name voor de joodse vluchtelingen, is hem toch altijd het voorzitterschap van de Joodse Raad tijdens de oorlog verweten. David Cohen overleed in 1967 op 84-jarige leeftijd.



Collectie en mediatheek

 [Winkel in Amsterdamse jodenbuurt]  1890 (ca.)
Gezicht op een lompenwinkel: in de ingangsdeur (l. helft) zit een oude vrouw met
een wit mutsje op en een wit schort voor. Aan de l.deurpost hangen een paar overjassen ...
Collectie > Museumstukken > 00671

 Briefwisseling  1941-1942
Afschrift van de briefwisseling tussen Mr. LE Visser en prof. dr. D. Cohen
over de aan te nemen houding tov de bezetter, 1941-1942.
Collectie > Documenten > 00011466

 Condoleancebrief  1942-02-17
Condoleancebrief van prof. dr. David Cohen aan Cornelia Visser-Wertheim naar aanleiding
van het overlijden van haar man Mr. LE Visser op 17 februari 1942.
Collectie > Documenten > 00011479

 De herinneringen van prof. dr. David Cohen voorzitter van de Joodsche Raad  1982
De herinneringen van prof. dr. David Cohen voorzitter van de Joodsche Raad.
Collectie > Literatuur > 11000712

meer treffers in Collectie > Literatuur

 [Binnenland] : Amsterdam  1879
Bericht over de vorderingen die de bewoners van "Megadle Jethomim"
maken in het godsdienst- en maatschappelijk onderwijs.
Collectie > Joodse pers > 20029693

meer treffers in Collectie > Joodse pers


jhm.nljhmkindermuseum.nlhollandscheschouwburg.nlportugesesynagoge.nletshaim.nljoodsmonument.nlmenassehbenisrael.nl