
De socialistische effectenhandelaar Barend Chapon (1884-1943) speelde een vooraanstaande rol in het openbare leven van Haarlem. Zo was hij een van de oprichters van Tuinwijk en had hij zitting in de kerkenraad van de joodse Gemeente. In de oorlog werd hem het werken als effectenhandelaar onmogelijk gemaakt. Hij werd op 2 februari 1943 in de Duinen bij Bloemendaal gefusilleerd. Chapon was getrouwd en had vijf kinderen, waaronder de latere kunstenaar Jules Chapon.
| geboren | 1884-08-04 Amsterdam |
| overleden | 1943-02-02 Bloemendaal |
| vader | Chapon, Juda |
| moeder | Voorzanger, Jeanette |
| broer | Chapon, Isidoor |
| zus | Chapon, Naatje |
| partner | Zilverberg, Mietje 1881-06-04=1943-02-12 |
| huwelijk | 1908-10-21 Coevorden |
| beroep | makelaar in effecten |
Op 4 augustus 1884 werd in Amsterdam in het orthodox-joodse gezin van Juda Chapon en Jeanette Voorzanger Barend Chapon geboren. Na de vroege dood van zijn vader, op 28-jarige leeftijd, werden hij en zijn broer en zus opgenomen in respectievelijk het joodse jongensweeshuis en het joodse meisjesweeshuis in Amsterdam. Hun moeder was namelijk niet in staat de opvoeding van haar drie kinderen financieel te dragen. Later zou zij hertrouwen met de orthodoxe en zeer erudiete Samuel Fedder. Zijn jeugd bracht Barend Chapon grotendeels door in het weeshuis. Hij doorliep de lagere school en de HBS en trad op 17-jarige leeftijd in dienst bij de effectenhandelaar L.B. Schaap.
In 1908 trouwde Barend met de uit Coevorden afkomstige Mietje Zilverberg. Zij vestigden zich in de Andreas Bonnstraat in Amsterdam-Oost. Hier werden hun eerste twee kinderen geboren, Jenny en Selma. Omdat Mietje niet kon aarden in de grote stad verhuisde het gezin Chapon in 1913 naar de Berkenrodestraat in de wijk Bosch en Vaart in het toen nog zeer landelijke Heemstede. In Heemstede zouden nog drie kinderen volgen waaronder de latere kunstschilder Jules Chapon.
Barend Chapon zou zeer betrokken raken bij het (joodse) leven in Heemstede en het aangrenzende Haarlem. In 1918 was hij de initiatiefnemer en een van de oprichters van de woningbouwvereniging Tuinwijk. Deze vereniging stelde zich ten doel een coöperatieve woonwijk te stichten. Het zou een woonwijk moeten worden waar de mensen zich bewust waren van hun verantwoordelijkheid jegens elkaar. Na vier jaar hard werken kon Tuinwijk daadwerkelijk worden ingewijd. In 1923 werd hij tevens lid van de kerkenraad van de joodse gemeente van Haarlem. In die hoedanigheid was hij zijdelings betrokken bij de oprichting van het joodse Joles Ziekenhuis.
Onder invloed van zijn vrouw was Chapon sociaal-democraat geworden. Voor een handelaar in effecten op de Amsterdamse beurs was dat vrij opmerkelijk. In 1926 had hij zich als zelfstandig handelaar in effecten gevestigd na 24 jaar voor Schaap gewerkt te hebben. Ook in het kapitalistische bolwerk van de effectenbeurs stak Chapon zijn socialistische gezindheid niet onder stoelen of banken. Toch konden zijn collega's op de beurs dit wel waarderen. Zij vormden ieder jaar op 1 mei een kring rond de socialistische beurshandelaar en hieven dan de Internationale aan. Naar verluidt zag Chapon het lachend aan. Zijn socialistische gezindheid kwam ook tot uiting in het feit dat hij in 1926 voor de SDAP gemeenteraadslid werd van Heemstede.
Na de ingebruikneming van Tuinwijk hadden Chapon en zijn gezin zich ook zelf daar gevestigd. Aanvankelijk woonden zij in de Zonnelaan, later in de nabijgelegen Spaarnelaan. Als coöperatief woonproject werd Tuinwijk overigens een mislukking. De bewoners klaagden over spelende en baldadige kinderen in de binnentuinen, over vocht- en stankoverlast en bij die klachten kwamen dan ook nog eens financiële problemen. In 1927 werden zowel Bosch en Vaart als de Tuinwijk door Haarlem geannexeerd. In 1938 werd de vereniging Tuinwijk opgeheven en nam de Gemeente Haarlem het beheer van het project over.
Tijdens de bezetting werd de effectenfirma van Chapon geliquideerd. Als jood mocht hij ook geen lid meer zijn van de Vereniging voor Effectenhandelaren. In Haarlem behartigde Chapon nog zo veel mogelijk de belangen van de joodse gemeente. Toen er begin 1943 in Haarlem een Duitse officier werd doodgeschoten werden Barend Chapon en opperrabbijn Philip Frank op 2 februari 1943 tezamen met nog acht andere mannen als represaillemaatregel in Bloemendaal gefusilleerd. Een joodse begrafenis werd hem niet gegund. Zijn lichaam werd, evenals die van de andere slachtoffers, op het crematorium van Driehuis-Westerveld verbrand.