Martin Buber

Buber, Martin Mordechai

Buber, Martin

De bekende filosoof Martin Buber werd in 1878 geboren in Wenen. Hij studeerde aan de universiteiten van Wenen, Leipzig, Zürich en Berlijn. In 1930 werd hij hoogleraar filosofie aan de universiteit van Frankfurt am Main. Na de machtsovername van Hitler in 1933 werd Buber als jood ontslagen. In 1938 verliet hij Duitsland om zich in Palestina te vestigen waar hij hoogleraar werd aan de Hebreeuwse Universiteit in Jeruzalem. Hier zou hij tot zijn pensioen in 1951 blijven doceren. Op 13 juni 1965 overleed hij in zijn huis in Jeruzalem.

geboren1878-02-08 Wenen
overleden1965-06-13 Jeruzalem
vaderBuber, Karl
partnerWinkler, Paula
huwelijk1899
functieshoogleraar Universiteit van Frankfurt a.m. 1930=1933
hoogleraar Hebreeuwse Universiteit 1938-1951

Op 8 februari 1878 werd in Wenen Martin Buber geboren als zoon van Karl Buber. Drie jaar na zijn geboorte verliet zijn moeder het huis en liet zijn vader alleen met de kleine Martin achter. Pas toen hijzelf al een getrouwd man met kinderen was zou Buber zijn moeder terugzien. Vanwege deze ingrijpende gebeurtenis groeide Buber op in Lemberg in het huis van zijn grootouders Salomon en Adèle Buber. Toen zijn moeder al een jaar weg was, en de kleine Martin nog altijd in stilte op zijn moeder wachtte, vertelde een kindermeisje hem op het balkon dat zijn moeder nooit meer terug zou komen. Deze balkonscène had een langdurige invloed op hem en nog op zijn oude dag zei Buber over deze gebeurtenis: "I suspect that everything I experienced of genuine encounter during the course of my life had its origin in that moment on the balcony."
Afgezien van het verdriet over het weggaan van zijn moeder was de jeugd van Martin Buber in het huis van zijn grootouders comfortabel en inspirerend. Zijn grootvader was, anders dan zijn vader, een geleerd man met een grote joodse kennis. Ook van zijn grootmoeder Adèle leerde Martin Buber veel. Tot zijn tiende jaar onderwezen zijn grootouders hem thuis, vooral in talen als Hebreeuws, Latijn en Frans. Daarna stuurden zij hem naar het Franz Josef Gymnasium in Lemberg. Nadat zijn vader was hertrouwd, kwam Martin Buber op veertienjarige leeftijd weer thuis wonen. Rond diezelfde tijd keerde hij zich tijdelijk van het joodse geloof af. Hij las filosofen als Kant en Nietzsche en onderging de invloed van hun werken.
Vanaf 1896 ging Martin Buber studeren aan de universiteiten van Wenen, Leipzig, Zürich en Berlijn. In de laatste stad was hij een leerling van bekende filosofen als Wilhelm Dilthey (1833-1911) en Georg Simmel (1858-1918). Tijdens zijn studietijd raakte hij betrokken bij de door Theodor Herzl opgerichte zionistische beweging. Op verzoek van Herzl werd hij in 1901 redacteur van het zionistische weekblad "Die Welt". In tegenstelling tot Herzl legde Buber de nadruk meer op de culturele aspecten van het zionisme dan op de politieke. Dit leidde uiteindelijk tot een conflict met Herzl. Op het Vijfde Zionistische Congres sloot Buber zich aan bij een afscheidingsbeweging die bekend stond als De Zionistische Democratische Fractie. Als redacteur van "Die Welt" trok hij zich terug en in Berlijn richtte hij met gelijkgestemden de Jüdischer Verlag op. Deze uitgeverij publiceerde Duitstalige boeken van literaire kwaliteit.
Inmiddels hadden er ook in het persoonlijke leven van Buber belangrijke veranderingen plaatsgevonden. In 1899 was hij getrouwd met de niet-joodse Paula Winkler. Zijn vrouw was schrijfster die publiceerde onder het mannelijke pseudoniem Georg Munk. In 1900 werd hun eerste kind Rafael geboren in 1901 gevolgd door hun dochter Eva.
Vanaf 1903 begon Buber zich bezig te houden met het chassidisme. Ook in zijn belangstelling voor het chassidisme was hij aanvankelijk vooral geïnteresseerd in de culturele en esthetische aspecten ervan. Zo probeerde hij de bekende verhalen van Rabbi Nachman in het Duits te vertalen. Uiteindelijk besloot hij af te zien van een vertaling en vertelde hij de verhalen na in een vrije bewerking die hij in 1906 publiceerde als "Die Geschichten des Rabbi Nachman". In 1908 werd dit werk gevolgd door "Die Legende des Baalschem". Later hield hij zich ook meer inhoudelijk bezig met het chassidisme wat een grote invloed had op zijn filosofische en theologische denkbeelden. In 1909 volgde zijn drie "Reden über das Judenthum". Deze in Praag gehouden redevoeringen hadden een grote invloed op de joodse jeugd in Oost-Europa.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog richtte Buber in Berlijn het Joodse Nationale Comité op dat werkte ten behoeve van joden in Oost-Europa en Palestina. In 1916 richtte hij het maandblad "Der Jude" op en in 1920 definieerde Buber op een conferentie in Praag zijn utopisch-socialistische positie. Hij zag 'Gemeinschaften' in Palestina voor zich waar mensen in een persoonlijke relatie met elkaar zouden samenleven. Ook benadrukte Buber de noden van de Arabische bewoners van Palestina en meende hij dat joden en arabieren in vrede moesten samenleven.
In 1923 verscheen zijn filosofische hoofdwerk: "Ich und du". In dit werk zette hij zijn filosofie van de dialoog uiteen. Uitgangspunt van Bubers filosofie was niet de mens, noch de wereld, maar de relatie tussen de mens en de wereld. Alle relaties konden volgens Buber worden verdeeld in zogenaamde ik-jij-relaties en in ik-het-relaties. Alleen in ik-jij-relaties was er volgens Buber sprake van een werkelijke dialoog waarin partners als gelijken met elkaar spraken. Bij ik-het relaties was er geen sprake van zo'n werkelijke dialoog en werd de ander als middel gebruikt om een doel te gebruiken. Ik-jij relaties konden onmogelijk altijd voortduren en konden overgaan in ik-het relaties. De ik-het-relatie is in zichzelf niet kwaad en is volgens Buber de enige manier om objectieve kennis op te doen. Buber paste deze denkbeelden ook toe op het geloof. Hij zag het geloof als een relatie tussen de mens en God. Deze religieuze denkbeelden hebben met name veel invloed gehad op niet-joodse theologen.
Vanaf 1922 was Buber samen met Franz Rosenzweig begonnen te werken aan een Duitse vertaling van het Oude Testament. Na de dood van Rosenzweig, in 1929, ging Buber alleen verder en hij voltooide de vertaling in 1961.
Ondertussen was Buber in 1925 begonnen joodse religie en ethiek te doceren aan de Universiteit van Frankfurt am Main. In 1930 werd hij daar benoemd tot hoogleraar religie. Na de machtsovername van Hitler in 1933 werd Buber als hoogleraar ontslagen. Vervolgens reisde hij door Duitsland om lezingen te geven en organiseerde op die manier een vorm van spiritueel verzet. In 1935 werd hem het spreken voor joodse gezelschappen verboden en in 1938 verliet hij Duitsland om zich in Palestina te vestigen waar hij hoogleraar werd aan de Hebreeuwse Universiteit in Jeruzalem. Hier zou hij tot zijn pensioen in 1951 blijven doceren.
Buber bleef ook in zijn latere jaren actief in het publieke leven. Zo was hij één van de leiders van de Ihud die een gezamenlijke arabisch-Israëlische staat voorstond. Verder was hij van 1960 tot 1962 de eerste voorzitter van de Israëlische Akademie voor Wetenschappen. Ook hield hij na de Tweede Wereldoorlog veel lezingen in het buitenland. Onder andere bezocht hij in de jaren 1952 en 1957-1958 de Verenigde Staten.
In 1958 overleed zijn vrouw Paula. Buber zelf werd voor langere tijd ziek. In 1963 kreeg hij in Amsterdam de Erasmusprijs uitgereikt. Op 13 juni 1965 overleed hij in zijn huis in Jeruzalem.



Collectie en mediatheek

 De legende van den Baalsjem  1927
De legende van den Baalsjem.
Collectie > Literatuur > 11503860

meer treffers in Collectie > Literatuur

jhm.nljhmkindermuseum.nlhollandscheschouwburg.nlportugesesynagoge.nletshaim.nljoodsmonument.nlmenassehbenisrael.nl