
T.M.C. Asser (1838-1913) begon in 1856 een studie rechten aan het Amsterdamse Atheneum Illustre. Hij promoveerde in 1860 in Leiden op een proefschrift over internationaal recht. In 1860 vestigde hij zich als advocaat in Amsterdam. In 1862 werd hij tot hoogleraar aan het Atheneum Illustre benoemd. In 1911 ontving hij voor zijn grote inzet voor de internationale vredesbeweging de Nobelprijs voor de Vrede.
| geboren | 1838-04-28 Amsterdam |
| overleden | 1913-07-29 Den Haag |
| vader | Asser, Carel Daniel |
| moeder | Godefroi, Rosette Henry |
| partner | Asser, Johanna Ernestina |
| huwelijk | 1864-06-22 |
| beroep | jurist |
| functie | Statenlid provinciale Staten van Noord-Holland 1892-1893 |
Op 28 april 1838 werd in Amsterdam Tobias Michel Carel Asser geboren als zoon van Carel Daniel Asser en Rosette Godefroi. Hij was een telg uit een joodse familie die al sinds het begin van de negentiende eeuw veel rechtsgeleerden had voortgebracht. Na eerst particulier onderwijs te hebben gevolgd, ging Tobias Asser in 1856 rechten studeren aan het Amsterdamse Athenaeum Illustre. In 1860 promoveerde hij in Leiden op een proefschrift getiteld "Geschiedenis der beginselen van het Nederlandsche Staatsregt, omtrent het bestuur der buitenlandsche betrekkingen". Na zijn studie vestigde hij zich als advocaat in zijn geboortestad. In 1862 werd hij tot hoogleraar benoemd aan het Amsterdamse Athenaeum Illustre, de latere Universiteit van Amsterdam. Asser zou dit ambt tot 1893 blijven uitoefenen.
Asser was gespecialiseerd in internationaal recht. Van het in 1873 opgerichte Institut de Droit International was hij de medeoprichter. In 1899 was hij voorzitter van een in Den Haag gehouden vredesconferentie en ook in 1907 nam hij aan een dergelijke conferentie deel. In 1911 kreeg hij voor zijn bemoeienissen met de internationale vredesbeweging de Nobelprijs voor de Vrede. Zowel in Nederland als internationaal had Asser een groot aanzien. Evenals zijn vader, Carel Daniel Asser, bekleedde Tobias Asser verschillende functies in de joodse gemeenschap. Zo was hij van 1882 tot 1887 lid van het curatorium van het Nederlands-Israelitisch Seminarium. Rond 1890 heeft Asser echter geheel gebroken met het jodendom. Hij trad niet toe tot een ander kerkgenootschap hoewel hij een zekere affiniteit had met het vrijzinnig protestantisme. Op 29 juli 1913 overleed hij in Den Haag en werd aldaar begraven op de algemene begraafplaats Oud Eik en Duinen.