Vierhonderd jaar joden in Nederland

De vestiging van Joden in Nederland
inquisitie, Bernard Picart, 1722 De eerste joden die zich blijvend in Nederland vestigden waren afstammelingen van Spaanse en Portugese joden. Hun komst werd voorafgegaan door een reeks ingrijpende veranderingen op het Iberisch Schiereiland, waar zij eeuwenlang onder wisselende omstandigheden gewoond hadden. In 1492 werden de Spaanse joden onder druk van de inquisitie voor de keus gesteld zich tot het katholicisme te bekeren of het land te verlaten. Veel joden vluchtten naar Portugal, waar ze in 1497 en masse gedoopt werden. Zowel in Spanje als in Portugal bleven sommigen van deze bekeerden in het geheim thuis het jodendom belijden, terwijl ze voor de buitenwereld als katholieken leefden.

In 1536 werd ook in Portugal de Inquisitie ingesteld, die de onder dwang gedoopte joden scherp in de gaten hield. Dit was voor velen van hen een reden het land te ontvluchten, ondermeer naar Brazilië en Frankrijk. Ruim een halve eeuw later kwamen sommigen van hun afstammelingen als kooplieden naar de Republiek der Verenigde Nederlanden. Zij vestigden zich in Amsterdam, van waaruit zij, onder andere via Lissabon, handel dreven in suiker en tabak uit Brazilië en diamant, specerijen en katoen uit India. Eenmaal in Amsterdam gevestigd keerden ze vaak terug tot hun oorspronkelijke joodse geloof. Gezien hun gemengde Spaans-Portugese afkomst noemen wij hen Sefardische joden, naar het Hebreeuwse voor Iberisch Schiereiland, Sefarad. Ook wordt de term Portugese joden gebruikt, omdat Portugees hun voertaal was.

Omstreeks 1630 bereikten joden uit Midden- en Oost-Europa de Republiek. Deze Hoogduitse of Asjkenazische joden, zo genoemd naar analogie van het Hebreeuwse woord voor Duitsland Asjkenaz, spraken Jiddisj, een vroege vorm van Duits gemengd met Hebreeuwse, Slavische en Romaanse woorden en in Hebreeuwse letters geschreven. De Asjkenazische joden waren gevlucht voor het geweld van de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) en voor de vervolgingen van de kozakkenhoofdman Chmielniki in Polen in 1648.

Berooid kwamen zij in Amsterdam aan; ze konden blijven omdat joden zich hier vrij konden vestigen en omdat zij op ondersteuning mochten rekenen van hun Sefardische broeders.
De Portugese en Hoogduitse joden brachten zeer verschillende culturele achtergronden mee. Zij spraken een verschillende taal en vormden ook in sociaal opzicht verschillende groepen. Voor de buitenwacht telde echter voornamelijk hun gemeenschappelijke religie en werden ze als één (geloofs)gemeenschap gezien.

Portugese Synagoge in Amsterdam, tekening, 1724 Aan het begin van de zeventiende eeuw had de vestiging van joden in Amsterdam aanvankelijk niet tot grote problemen geleid. Oogluikend werd hen toegestaan hun afwijkende religie in privé-woningen te belijden, maar van volledige burgerrechten was geen sprake. Vooral op economisch gebied werden hen vele beperkingen opgelegd. Rond 1615 ontstonden er wrijvingen op sociaal en religieus gebied, wat leidde tot overleg in de Staten van Holland en een poging om een jodenreglement vast te leggen.
Zover is het nooit gekomen, maar wel werd in 1619 besloten dat het iedere stad vrijstond zelf te bepalen of zij joden wilde toelaten of niet en onder welke voorwaarden. Wanneer de plaatselijke autoriteiten de joden toestemming hadden gegeven zich een de stad te vestigen, was het verboden hun een uiterlijk kenteken te laten dragen. Wel werd het de Hollandse steden toegestaan een afzonderlijk stadsdeel als woongebied voor de joden verplicht te stellen, maar in de praktijk is dit nooit gebeurd.

Het ontstaan van de mediene
Sinaasappelhandelaar in Groningen In de achttiende eeuw vestigden zich joden in verschillende plaatsen buiten Amsterdam. Zo ontstond er naast 'Mokum'(=Amsterdam) een 'Mediene', waartoe alle joodse gemeenschappen buiten de hoofdstad gerekend werden. De Sefardische gemeenten, die onder andere in Den Haag, Rotterdam en Middelburg ontstonden, ontwikkelden zich volgens het voorbeeld van de Amsterdamse 'moedergemeente'. Heel anders verliep de vestiging van de eerste Hoogduitse joden in de mediene. Ze kwamen vaak rechtstreeks uit het Duitse grensgebied naar Groningen, Gelderland en Overijssel en kozen een woonplaats op economische gronden. Ook in de westelijke handelssteden en in de plaatsen langs de Zuiderzee ontstonden Asjkenazische gemeenten, die een hoge mate van zelfstandigheid kenden. Voordat een dergelijke gemeente (kehilla of kille) daadwerkelijk opgericht kon worden moest er aan een aantal voorwaarden worden voldaan. Zo moet er een quorum van tien mannen van 13 jaar of ouder zijn, een z.g. minjan, voordat er een volledige gebedsdienst gehouden kan worden.

Vaak diende eerst een kamer in een woonhuis of boerderij als plaats van samenkomst, voordat er een synagoge gebouwd mocht of kon gebouwd worden. Naast een synagoge behoorde ook een ritueel bad ofwel mikwe tot de noodzakelijkheden, terwijl ook een schoollokaal wenselijk was. Een van de eerste vereisten was tevens een begraafplaats, omdat joodse overledenen apart te rusten gelegd moeten worden, met de zekerheid dat deze rust voor eeuwig geldt.
Iedere joodse gemeente werd geacht om als autonome organisatie met behulp van een intern stelsel van belastingen, offergelden en boetes haar voorzieningen als synagoge, leerhuis, mikwe en begraafplaats aan te kopen en te beheren.

Leesplank, ca. 1925 Gekozen bestuurders (parnassiem) stelden de reglementen (takkanot) op, die door de plaatselijke overheid goedgekeurd moesten worden. Ook waren de parnassiem verantwoordelijk voor het handhaven van de orde en voor het sociale en economische reilen en zeilen van het onder hun gezag staande deel van de zogenoemde 'Joodsche Natie'. Tevens droegen zij de plaatselijke belasting af. Afhankelijk van de financiële middelen beschikte de joodse gemeente over een rabbijn, een voorzanger, een onderwijzer en een schrijver. In verband met de voedselvoorschriften was de aanwezigheid van een ritueel slachter en een toezichthouder noodzakelijk. In de meeste kleinere gemeenten werden deze functies gecombineerd. Diverse liefdadigheidsinstellingen vervulden een belangrijke sociale en religieuze rol. De zorg voor armen, zieken, stervenden, doden, aanstaande bruiden, zwangere vrouwen, weduwen, wezen, behoeftige studenten en leraren ging steeds gepaard met religieuze studie. Het merendeel van de joden in de mediene was werkzaam in de handel, als slager of als kleine neringdoende.

Ontwikkelingen binnen joods Nederland Intocht Koning Lodewijk Napoleon, 1808
In de praktijk bleef Amsterdam gedurende de vrijwel de gehele achttiende eeuw het zwaartepunt van joods Nederland. Grote veranderingen traden op na 1796. Met het verlenen van gelijke burgerrechten aan alle inwoners van de Republiek der Verenigde Nederlanden werd de politieke emancipatie een feit. Eén van de gevolgen was, dat joden zich overal vrij konden vestigen. Daardoor ontstonden in de eerste helft van de negentiende eeuw verspreid over Nederland een groot aantal joodse gemeenten.
Joods Nederland werd ingedeeld in twaalf hoofdsynagogen, die op hun beurt weer in ringsynagogen en bijkerken verdeeld werden. Aanvankelijk stonden deze gemeenten onder een sterk centraal gezag, maar gedurende de tweede helft van de negentiende eeuw ontwikkelde zich de scheiding tussen kerk en staat. Dit had tot gevolg, dat de autonomie van de gemeenten wederom toe nam. Rond 1885 bereikte het joodse leven in de mediene zijn hoogtepunt, daarna begon de neergang. Behalve in de plaatsen die een duidelijke industriële ontwikkeling doormaakten nam het aantal leden van de killes vrijwel overal af. Emancipatie en integratie speelden ook een rol in de organisatievorm van de diverse joodse gemeenten; naast de bestaande liefdadigheidsinstellingen ontstond een ander joods verenigingsleven, gebaseerd op politieke of culturele gronden,al dan niet met een zionistische signatuur.

Tot slot
In de eerste decennia van de twintigste eeuw verliest een groot aantal van de kleinere joodse gemeenten zijn zelfstandigheid of wordt opgeheven. Amsterdam wordt nog meer dan tevoren het centrum en zwaartepunt van joods Nederland. De nazi-terreur in de bezettingsjaren heeft ook het joodse leven in de provincie vrijwel vernietigd. Ook in de naoorlogse jaren maakte het joodse leven in de mediene een verdere neergang door.

In 2005 telden de joodse gemeenten die aangesloten zijn bij het Nederlands Israëlietisch Kerkgenootschap samen ca. 5000 leden. De 32 gemeenten zijn onderverdeeld zijn in vier ressorten, Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en het Interprovinciaal Rabbinaat.
Het Kerkgenootschap Verbond van Liberaal-Religieuze Joden in Nederland werd in 2003 uitgebreid tot negen gemeenten, waarin ongeveer 1100 gezinnen opgenomen zijn. Verreweg het grootste deel hiervan is lid van LJG Amsterdam, namelijk ca. 1650 personen.
Het Portugees Israëlietisch Kerkgenootschap kan momenteel 270 gezinnen tot zijn ledenbestand rekenen.

jhm.nljhmkindermuseum.nlhollandscheschouwburg.nlportugesesynagoge.nletshaim.nljoodsmonument.nlmenassehbenisrael.nl