Vrienden van Etty Hillesum

Klaas Smelik, ca. 1939 (JHM F001876)Klaas Smelik sr. (Den Helder 1897-Amsterdam 1986) is journalist en schrijver van hoorspelen. Het jaar waarin Etty hem voor het eerst ontmoet is niet duidelijk; dit moet tussen 1932 en 1936 zijn. Zij krijgt een affaire met de getrouwde Smellik. Deze duurt een half jaar en wordt - op initiatief van Etty - in vriendschap beëindigd. De publicatie van Etty's dagboeken is aan Klaas Smelik te danken.

Johanna Smelik, circa 1939 (JHM F9)Johanna Smelik (1916 -2008) is de dochter van Klaas. Ze wordt een goede vriendin van Etty, die haar "Jopie" noemt. 'En de Rilke-brieven zijn me gebracht, ik hoop ze nog te kunnen lezen. Jopie bracht ze. En haar trui van zuivere schapenwol, die beschermt tegen regen en kou, rukte ze zich van het lichaam als een tweede Sint Maarten. Dat is alvast één kledingstuk voor de reis' (dagboek 15 juli 1942). Vanuit Westerbork schrijft Etty aan 'Jopie, Klaas, lieve vrienden' (brief 3 juli '43). 

Max Geiger is een jeugdvriend van Etty. Max is afkomstig uit Bern en ze hebben ooit iets met elkaar gehad: 'mijn hartstocht in mijn verhouding met Max' (dagboek 11 nov. '41).

Han Wegerif, circa 1942 (JHM F001871)Een langdurige verhouding heeft Etty met Han Wegerif (1897-1946). De accountant Hendrik (Han) J. Wegerif woont in de Gabriël Metsustraat 6 in Amsterdam. In maart 1937 trekt Etty bij hem in. Etty's broer Jaap staat hier ook ingeschreven. Han, ook wel pa Han genoemd, is weduwnaar. Hij stelt Etty voor om het huishouden voor hem te doen. Als ze vervolgens een verhouding krijgen, maakt dit de relatie met zijn inwonende zoon Hans gespannen. Etty woont hier tot aan haar definitieve vertrek naar Westerbork in juni 1943 en in haar kamer in dit huis schrijft ze haar dagboeken.

Julius Spier, circa 1940 (JHM F001889)De belangrijkste persoon in Etty's leven en in haar dagboeken is Julius Spier. Etty leert hem in februari 1941 kennen. Hij is dan 54, zij 27. Spier heeft een praktijk als handleeskundige en hij geeft cursussen. Etty gaat bij hem in therapie en Spier wordt al gauw de belangrijkste persoon in Etty's spirituele ontwikkeling. Lees meer over Etty Hillesum en Julius Spier.

Met Etty vormen Gera Bongers, Adri Holm (1910-1970), Dicky de Jonge (1920) en Henny Tideman (1907-1989) de kern van de 'Spier-club'.

Gera Bongers, circa 1945 (JHM F)Gera (Gerharda) Bongers (Wageningen 1914 - Kaapstad 1994) woont tijdens de bezetting in Bloemendaal en is is lerares moderne talen. Zij leert Spier kennen, doordat een van haar leerlingen haar als 'object' uitnodigt op een van Spiers cursusavonden chirologie. Na deze eerste keer meldt ze zich aan als cursist. Vervolgens fietst ze elke dinsdagavond vanuit Bloemendaal naar het huis van Spier in Amsterdam. Gera is op dat moment de vriendin van Bernard Meylink (Zierikzee 1911 - Amsterdam 1952), die in Amsterdam studeert en huisgenoot is van Etty in de Gabriel Metsustraat. Via Gera komt ook Etty als 'object' met Spier in aanraking. Gera behoort tot de kern van de Spier-club.

Adri Holm (Adriana Joanna Holm, Zeist 1919 - Utrecht 1970) is lid van de Evangelische Broedergemeente. In 1939 ontmoet zij Spier en ze is een van zijn eerste vriendinnen in Nederland. Ze is tevens een soort secretaresse van Spier totdat Etty haar min of meer uit die positie verdringt. Adri behoort tot de kern van de Spier-club. Dicky de Jonge, circa 1940 (JHM F)

Dicky de Jonge woont in de Courbetstraat bij de familie Nethe, in hetzelfde huis als Spier. Ze werkt in het onderwijs. Omdat Dicky de jongste is van het groepje bij Spier wordt ze 'die Kleine' genoemd. Etty schrijft dat 'die avond, 14 dagen geleden met Dicky en hem [Spier] samen me "gelukkiger" gemaakt heeft dan de avond met hem alleen gisteren. [..] En later Dicky met haar verdroomd gezichtje en S. en ik over haar heen gebogen [..] En zijn hand bij haar borst en mijn mond op de zijne en mijn arm over hem heen naar Dicky [..]' (dagboek 25 september 1941). Maar soms is ze ook jaloers op Dicky's contact met Spier (dagboek 12 december 1941). Henny Tideman, circa 1939 (JHM F001874)

De christelijke Henny Tideman (Soerabaja 1907 - Zeist 1989), ook 'Tide' genoemd, is al eerder dan Etty intiem bevriend met Spier. Zij is 'een forse roodharige vrouw van 35' met wie Etty haar liefde voor God en voor Spier deelt. 'Tide en ik zijn de twee naasten, en zulke twee tegenstellingen. We moeten van elkaar ook maar veel houden. Tide [..] Je hebt mijn leven verrijkt, doordat je een "open huis" bent' (dagboek 6 januari 1942). Tide is tijdens de oorlog lerares, maar zingt ook goed en dat doet ze op muziekavondjes met Spier samen. Foto 275N032 Van Tide hoort Etty dat Spier is gestorven.

Op de muziekavondjes van Spier komt ook Swiep van Wermeskerken (Amsterdam 1907), die indruk op Etty maakt: 'Ik zeg tegen mezelf [..] waarom laat je je zo emotioneren door een juffrouw met een glad jongenshoofd, een broek aan en doordringende blauwe ogen, die Russisch bij je leren wil?' (dagboek 29 maart 1942). Etty geeft haar Russische les en dat doet ze volgens Swiep heel goed.

Julius Spier, met Evaristos Glasner aan de vleugel, circa 1941 (JHM F)Evaristos Glassner (Leipzig-Lindenau 1912 - Amsterdam 1988) is organist en pianist. In 1937 krijgt hij in Berlijn als 'halfjood' een werkverbod opgelegd. In Berlijn heeft hij Spier al eens vluchtig ontmoet en als hij naar Amsterdam komt, dient ook hij als object op de cursus van Spier en wordt hij onder meer vaste pianist op de muzikale bijeenkomsten bij Spier thuis. Etty en Glassner raken bevriend en via Etty raakt Glassner ook bevriend met Etty's broer Mischa. Na de oorlog werkt Glassner als piano- en orgelleraar in Amsterdam.

Maria Tuinzing, circa 1937 (JHM F009409)Maria Tuinzing (Wageningen 1906- Arnhem 1978) is Etty's vriendin en vanaf 1942 huisgenote in de Gabriël Metsustraat. Ze werkt als verpleegster in Amsterdam. Voor Etty's definitieve vertrek naar Kamp Westerbork overhandigt ze aan Maria de dagboeken die ze in Amsterdam heeft geschreven. Op Etty's verzoek overhandigt Maria na de oorlog, in 1946 of 1947, het dagboek in elf schriftjes met een bundel brieven aan Klaas Smelik (1897-1986), met de opdracht aan hem om voor publicatie zorg te dragen.

Liesl Levie, circa 1939 (JHM F001872)

Liesl Levie-Wolfsky (1910) ) Liesl, soms als een kleine elf, een maanlichtbaadster in warme zomernachten. [..] Eigenlijk is zij mijn enige vrouwelijke vriendin (dagboek 27 juni 1942).
Liesl is getrouwd met Werner Levie (Berlijn 1903 - Tröbitz 1945) en samen hebben ze twee kinderen. Werner is zakelijk directeur van de Hollandsche Schouwburg. Vanaf het moment dat de Joodsche Schouwburg wordt gesloten en het Joodsche Kleinkunst-Ensemble van Werner Levie wordt verboden, voorzien de Levies in hun levensonderhoud door de verkoop van hun eigen kleren en door thuiswerk; in de krant lezen zij een advertentie van een tassenfabriek. Liesl, Werner en de moeder van Werner, die bij hen is ingetrokken, krijgen 35 cent per tasje en moeten dag en nacht werken om rond te kunnen komen. De Levies duiken niet onder, omdat ze anderen niet in gevaar willen brengen. Nadat ze bij de razzia van 1943 zijn opgepakt, verblijven ze in Westerbork tot januari 1944, waar Etty hen weer tegenkomt. Werner sterft, Liesl overleeft de oorlog en emigreert later naar Israël.

Leonie Snatager, ca. 1939 (JHM F01873)Leonie Snatager (Den Haag 1918 - Greenbelt, USA, 2013) studeert economie in Amsterdam en leert daar in 1937 of 1938 Etty kennen. Ze worden goede vriendinnen. Leonie komt vaak bij Etty (en 'pa Han') in de Gabriel Metsustraat in Amsterdam en dan voeren ze eindeloze gesprekken over van alles en ook doen ze aan wat Etty noemt hoger roddelen. Op een gegeven moment ontstaat een verwijdering tussen Leonie en Etty en dat komt niet alleen doordat Leonie in Den Haag is gaan wonen en er vanaf juni 1942 een reisverbod voor joden is. Leonie wil zich losmaken van Etty's invloed. Ze wil ook meer duidelijkheid hebben over Etty's relaties met Spier en Wegerif, maar Etty is hier weinig open over. Leonie is bezig in mijn privé-leven rond te wroeten. Eigenlijk heel onbehoorlijk. […]  Ze wil zo graag mijn leven kennen, maar hoe zal ik haar uitleggen, dat als ze mijn leven wil kennen, de realiteiten, die het uitmaken, heel ergens anders liggen. (dagboek, 26 april 1942). Leonie gaat niet mee in Etty's plan om vrijwillig naar Westerbork te gaan; ze duikt onder. Zo weet ze de oorlog te overleven.
Na de oorlog emigreert Leonie naar de VS en trouwt met Walter Penney. Al voor de oorlog is ze begonnen een uitvoerig dagboek bij te houden (dat na haar dood in 2013 aan het Holocaust Museum in Washington is geschonken).

In Westerbork raakt Etty intiem bevriend met Max Osias Kormann (1895-1959). Hij is afkomstig uit Polen en is na vele omzwervingen met het schip de St. Louis in 1939 naar ons land gekomen, waar hij met andere opvarenden door de Nederlandse regering in kamp Westerbork wordt geïnterneerd. Hij blijft in het kamp als Etty naar Amsterdam terugkeert en Etty schrijft hem tussen 14 augustus 1942 en 28 mei 1943 vanuit de Gabriël Metsustraat 22 brieven. Ze schrijft hem dat ze op een bepaalde manier naar Westerbork verlangt en dat ze terug zal komen. In september '42 schrijft ze hem dat Spier is gestorven. Ook vraagt ze Osias om haar spullen zo lang bij hem in Westerbork te stallen. Na de oorlog werkt hij bij een instantie die zich bezighoudt met het opsporen van ondergedoken joodse kinderen. In 1946 voegt hij zich bij zijn vrouw en twee kinderen die al voor de oorlog naar New York geëmigreerd zijn.

Ook Jopie Vleeschhouwer (Joseph Isidoor Vleeschhouwer, Breda, 12 april 1905 - Tröbitz, 23 april 1945) wordt een goede vriend in Westerbork. Hij is degene die een brief over Etty's definitieve vertrek uit Westerbork schrijft aan Han Wegerif en anderen op 6-7 september 1943. Zelf wordt hij samen met zijn vrouw Cato Cahen in 1944 naar Bergen-Belsen getransporteerd. Philip Mechanicus, circa 1935 (JHM F001869)

Philip Mechanicus (1889-1944) journalist bij het Algemeen Handelsblad, wordt op 27 september 1942 gearresteerd omdat hij geen ster draagt. Via kamp Amersfoort, waar hij ernstig mishandeld wordt, komt hij naar Westerbork. Daar leert Etty hem kennen. In Westerbork houdt hij een dagboek bij, dat in 1964 is verschenen onder de titel In depot.
Via Bergen-Belsen wordt hij naar Auschwitz getransporteerd in oktober 1944, waar hij drie dagen na aankomst wordt doodgeschoten.

Christine van Nooten (1903-1998) is Etty's lerares klassieke talen in Deventer en ze is collega en later intieme vriendin van Etty's vader. Ze wordt ook een vriendin van Etty en is vertrouwenspersoon van de hele familie Hillesum als zij in Westerbork zitten. Christine verstuurt talloze pakjes naar Westerbork met levensmiddelen en andere spullen en ze is de laatste die een uit de trein gegooid briefkaartje van de familie krijgt. 

Milli (Emilie) Ortmann (Hagen 1902 - Bergen 1976) emigreert onder druk van de politieke ontwikkelingen in Duitsland met haar man Theo Ortmann in 1933 vanuit Duitsland naar Nederland. In 1941 sterft Theo aan een hartaanval. Vanaf dat moment zet Milli Ortmann, zelf joods, zich in voor hulp aan andere joden. Ze ziet kans zich tot 'halfjood' te laten verklaren. Milli is een goede vriendin van Etty. Ze schakelt, samen met haar zusje Grete Wendelgelst, dirigent Willem Mengelberg in om Mischa Hillesum in Barneveld te krijgen. Zowel Willem Mengelberg als Willem Andriessen schrijven hiervoor aanbevelingsbrieven, die bewaard zijn gebleven. Er werden toen al pogingen gedaan om voor Mischa een uitzonderingspositie te creëren op grond van zijn muzikale begaafdheid. Later probeert Milli de hele familie Hillesum voor deportatie te behoeden. Vanuit Westerbork schrijft Etty haar verschillende brieven: 'Milli, onbetaalbare Milli' (brief rond 8 juli 1943) en 'Arme Milli, het spijt me zo voor jou, je hebt er zoveel voor gelopen en geploeterd. Barneveld is afgewezen, óók voor Mischa. Vader en moeder staan op transport, Mischa mag blijven, maar hij wil niet' (brief 9 juli 1943).

jhm.nljhmkindermuseum.nlhollandscheschouwburg.nlportugesesynagoge.nletshaim.nljoodsmonument.nlmenassehbenisrael.nl