DABERLOHN 'Ach mevrouw toch, u die als een madonna op uw zetel troont, u wordt door mij hiervoor grotelijks beloond...' PAULINKA 'Och heer, daar wordt gebeld. U moet nu gaan. Want daar is Blähn. Die had ik om elf uur besteld. Maar wanneer zie ik u dan weer? Morgen om .. o nee, dan heb ik die, en dan die, en dan die meneer. Ja morgen, gaat het helaas niet, als ik het tot overmorgen uitstel, dan neemt u me dat toch niet kwalijk wel?' DABERLOHN ('Dat geeft haar tijd eerst eens een hele dag in eenzaamheid van mij te houden.')' Goed, dan zal ik u weer zien, overmorgen omstreeks tien.'

Vgl 4958 (ongenummerd blad)

Zie ook: 4958