Charlotte Salomon (1917-1943)
groeide op in een bourgeois Duits-joods milieu in Berlijn. Daar
leefde ze als jong meisje relatief onbezorgd tot de
nationaal-socialistische machtsovername in 1933. Desondanks
voltooide ze nagenoeg een opleiding aan de kunstacademie. In
januari 1939 ontvluchtte Charlotte Berlijn en reisde naar haar
grootouders in Zuid-Frankrijk, die nazi-Duitsland al in 1933
verlaten hadden. In 1940, na het uitbreken van de Tweede
Wereldoorlog, pleegde haar grootmoeder zelfmoord. Toen pas werd
Charlotte verteld dat ook haar moeder in 1926 een einde aan haar
leven had gemaakt.
De 24-jarige Charlotte verwerkte deze roerige familiegeschiedenis en haar ervaringen als joodse in Berlijn op een buitengewone manier. Zij zag zich voor de keus gesteld een eind aan haar leven te maken of 'iets heel krankzinnig bijzonders' te ondernemen. Ze trok zich totaal terug en begon in een ongekende creatieve explosie te schilderen. Buiten, onder de Zuid-Franse zon, ontstond zo tussen 1940 en 1942 in achttien maanden van geconcentreerd werken Leven? of Theater?, een reeks van bijna achthonderd gouaches (schilderingen met onverdunde waterverf) waarin Charlottes levensverhaal wordt verteld. "En zij zag met wakkergedroomde ogen alle schoonheid om haar heen, zag de zee, voelde de zon en wist: ze moest een tijdlang van de menselijke oppervlakte verdwijnen en daarvoor ieder offer brengen om vanuit de diepte haar wereld nieuw te scheppen."
Charlotte Salomon werd in oktober 1943 in Auschwitz op 26-jarige leeftijd om het leven gebracht.
Leven? of
Theater? is via de ouders van Charlotte Salomon in het bezit
gekomen van het Joods Historisch Museum. Het totale werk van haar
bestaat uit 1325 gouaches en transparanten. Hiervan zijn er veel
door Charlotte zelf afgekeurd en zo ontstond een genummerde serie
van ongeveer achthonderd schilderingen.
Leven? of Theater? heeft de vorm van een
muziektheaterstuk met akten en scènes. De structuur is helder met
een proloog, hoofddeel en epiloog. Deze indeling is, tezamen met de
rolverdeling, beschreven op de eerste gouaches van Leven? of
Theater?.Deze aankondiging van het driedelig 'zangspel', zoals
Charlotte het werk noemt, is geschilderd in de drie primaire
kleuren: blauw voor de proloog, rood voor het hoofddeel en geel
voor de epiloog.De proloog beslaat de tijd van Charlottes jeugd in
Berlijn tot 1937. Het hoofddeel gaat over haar grote liefde, de
zangpedagoog Alfred Wolfsohn, en zijn verhouding met Charlotte en
haar stiefmoeder, de operazangeres Paula Salomon-Lindberg. De
epiloog behandelt het verblijf van Charlotte in Zuid- Frankrijk van
1939 tot 1942.
In een hotel in
St. Jean Cap Ferrat werkte Charlotte Salomon in de zomer van 1942
dag en nacht aan de voltooiing van haar werk. Met de woorden
"c'est toute ma vie" (het is mijn hele leven) vertrouwde
ze Leven? of Theater? toe aan dokter Moridis in
Villefranche sur Mer. Na de oorlog schonk de arts het werk aan
Ottilie Moore, aan wie Leven? of Theater? is opgedragen. Deze
Amerikaanse vrouw had Charlotte en haar grootouders onderdak
geboden in haar villa in Villefranche. Zij gaf de verzameling
gouaches, samen met Charlottes zelfportret, in 1947 aan Albert en
Paula Salomon, die tot dan toe niets afwisten van het bestaan van
het werk.
Albert en Paula Salomon lieten vijf, met linnen beklede dozen maken waarin ze de schilderingen meer dan tien jaar bewaarden. In 1959 brachten ze het werk onder de aandacht van het Stedelijk Museum in Amsterdam dat een tentoonstelling organiseerde in 1961. Dit betekende het begin van een reeks exposities en publicaties over Charlotte Salomons Leven? of Theater?.
Op 20 november 1971 schonken Albert Salomon en zijn vrouw Paula Salomon-Lindberg de ruim 1300 gouaches aan het Joods Historisch Museum in Amsterdam.
Het leven in Frankrijk werd door voedselschaarste tijdens de Tweede Wereldoorlog steeds moeilijker. Grootvader Grünwald verzwakte zozeer dat hij in Nice overleed waar hij op 12 februari 1943 werd begraven.
Inmiddels was in Zuid-Frankrijk de situatie
voor joden sterk verslechterd. Charlotte vond veel steun bij de
Oostenrijkse vluchteling Alexander Nagler en op 17 juni 1943
trouwden zij op het stadhuis van Nice. Het huwelijk werd hen echter
noodlottig want door deze officiële registratie raakten de nazi's
op de hoogte van hun aanwezigheid. Op 24 september 1943 werd
Charlotte, vier maanden zwanger, samen met haar echtgenoot opgepakt
door de Gestapo. Bij hun aankomst op 10 oktober 1943 in Auschwitz
werd Charlotte gedood. Nagler werd op 1 januari 1944 vermoord.
Albert en Paula Salomon vluchtten naar Amsterdam, aanvankelijk met de opzet naar de Verenigde Staten te gaan en daar verenigd te worden met Charlotte. Maar in Amsterdam werden ze opgepakt en al hun bezittingen werden verbrand, inclusief de brieven van Charlotte. Ze kwamen in Westerbork terecht, maar wisten hieruit te ontkomen en onder te duiken. Na de oorlog bleven zij in Amsterdam wonen. Albert werkte als chirurg en Paula onder meer als zangpedagoge aan het conservatorium. Albert overleed in 1976 en Paula op 17 april 2000. Zij werd 102 jaar oud.
Alfred Wolfsohn vertrok in 1939 naar Londen waar hij zich aansloot bij de Britse krijgsmacht. Na de oorlog werkte hij met leerlingen aan het ontwikkelen van een stemtraining die een combinatie was van psychotherapie en zangtraining. Zijn theorieën worden nog steeds toegepast in het Roy Hart International Voice Centre.
Wolfsohn ontmoette Paula en Albert voor het eerst weer in Amsterdam in 1947. Op dat moment wisten zij nog niets van het bestaan van het werk van Charlotte. Wolfsohn overleed in 1962 op 65-jarige leeftijd aan tuberculose als gevolg van de Eerste Wereldoorlog. Hij hoorde pas een jaar ervoor welke diepgaande invloed hij had gehad op het leven en werk van Charlotte Salomon.
De gouaches hebben
een vrij karakter. Contourlijnen ontbreken, grillige scheidslijnen
breken de bladen. Het palet is een bont geheel. Toch bestaat het
kleurenspectrum van het werk slechts uit de drie primaire kleuren
met wit. Weliswaar zijn daarmee alle kleuren te vormen, maar het is
zeer ongewoon dat een schilder geen andere pigmenten of
kant-en-klare verf gebruikt. Onduidelijk is of Charlotte dit uit
praktische overwegingen heeft toegepast of dat het een regel is die
zij zichzelf heeft opgelegd.
Naarmate het werk vordert verandert de stijl. De gedetailleerd geschilderde en verhalende scènes in heldere kleuren in het begin maken plaats voor ruwer geschetste tekeningen van stemmingen. De penseelstreken worden aan het einde steeds haastiger, alsof Charlotte wist dat haar niet veel tijd meer restte. Onveranderd blijven de weinige lijnen waarmee Charlotte het karakter van haar personen weet neer te zetten. Charlotte portretteert zichzelf, haar familie en geliefden met warmte en van een afstand. De pose van grootvader Knarre suggereert iets van zijn eigen inflexibele instelling en de verleidelijke Paulinka, een gevierd zangeres, wordt bijna altijd afgebeeld met een onderkin.
Charlottes werk lijkt
erg beïnvloed te zijn door de film. Het gebruik van dit medium
paste ook wel bij haar: een stil en bescheiden persoon, maar met
een bijna absoluut visueel geheugen. Alert registreerde ze alles
wat er om haar heen gebeurde. Bovendien groeide ze op in een tijd
waarin de film zich ontwikkelde van de zwart-witte, stomme film tot
een medium in kleur en geluid. Charlottes grote inspirator Wolfsohn
(Daberlohn) had over dit nieuwe medium ideeën die ze goed heeft
onthouden. In een van de schilderingen laat ze Daberlohn zeggen:
'Men moet eerst tot zichzelf zijn
ingegaan, om buiten zichzelf te kunnen treden. Een hulpmiddel om
buiten zichzelf te treden is voor mij de film, de machine van de
mens om zijn eigen ik te produceren.' De film is het middel
van de moderne mens om zijn diepten te peilen en te verkennen en zo
tot inzicht en genezing te komen.
Leven? of Theater? ziet er haast uit als een storyboard voor een film. Diverse shots in één afbeelding, plotselinge close-ups en in- en uitzoomende opeenvolgende beelden komen regelmatig voor. Associaties met tekeningen voor een tekenfilm krijgt de beschouwer bij de vele 'pratende hoofden' op één blad, die met een steeds wisselende expressie hun lange monologen vertellen.
Behalve een
opmerkelijk geheugen voor het gesproken en geschreven woord
beschikte Charlotte over een verrassende muziekkennis. Het schijnt
dat ze tijdens het schilderen en schrijven neuriede op melodieën in
haar hoofd. Er zijn in haar werk talloze verwijzingen naar opera's,
liederen en populaire liedjes. Sommige melodieën herhalen zich door
het werk heen. Flarden uit Bizets Carmen zijn gebruikt als
achtergrondmuziek bij scènes met Paulinka en Daberlohn, en als
Charlotte en Daberlohn ten tonele komen worden zij begeleid door
Schuberts Der Tod und das Mädchen. Soms past Charlotte de muziek,
net als in films, als versterking van stemming en emotie toe. Of
juist omgekeerd: zij kiest muziek uit die tegengesteld is aan de
sfeer op dat moment, waardoor de scène een ironisch karakter
krijgt. Als Daberlohn zich klein en zwak vervoegd bij de grote Herr
Singsang klinkt het overwinningslied uit Carmen. Deze dramatische
weergave benadrukt Daberlohns opgeblazen zelfbeeld op een komische
manier.
Zie ook Muziekcitaten