Portretten van Didi en Corrie Hertzberger
In december 2005 werd de collectie van het
Joods Historisch Museum verrijkt met twee bijzondere
portretten van de dochter en de kleindochter van André Hertzberger
(1874-1944), stichter van Hertzberger's Confectie en Textiel
Fabrieken.
Dina (Didi) Hertzberger-Lindeman (1906-2000) werd op
achtentwintigjarige leeftijd geportretteerd door Jan Wiegers, een
huisvriend van de familie. Didi was gehuwd met Isidoor (Dorus)
Hertzberger (1900-1973), de zoon van André. Isidoor Hertzberger
vestigde zich in 1926 met zijn echtgenote in Groningen, als
directeur van een aan het moederbedrijf gelieerde confectiefabriek.
Daar moet hij kennis gemaakt hebben met de expressionistische
schilder Jan Wiegers, die tussen 1922 en 1934 in Groningen woonde
en hoorde tot de stroming van De Ploeg. Wiegers werkte in
Groningen, Rotterdam, Den Haag en Davos, voordat hij op latere
leeftijd hoogleraar aan de Rijksacademie voor Beeldende Kunst in
Amsterdam werd. Dit portret werd enkele jaren na de geboorte van
Corrie (1931-1984), het enig kind van Dorus en Didi, gemaakt.
In 1940 maakte de schilder en aquarellist
Maarten Krabbé (1908-2005) een pasteltekening van deze dochter
Corrie, die toen negen jaar oud was. Krabbé gold in zijn tijd als
een verdienstelijk portretteur, illustrator en kunstpedagoog.
De oorlogsjaren bracht het gezin Hertzberger-Lindeman
noodgedwongen in Zwitserland door. André Hertzberger en zijn
echtgenote Selma Hertzberger-Roos kwamen om in Bergen-Belsen.
De portretten werden ons geschonken door de heer Ir. C. F. W.
Wernecke, die tot haar overlijden in 1984 gehuwd was met Corrie
Hertzberger.
Tekening van Willem Wenckebach
In oktober 2005 werd het Joods Historisch Museum
door een schenking van de Stichting Iton in de gelegenheid gesteld
om een bijzonder werk te verwerven van de graficus, schilder en
illustrator Lodewijk Willem Reijmert (Willem) Wenckebach
(1860-1937). Het betreft een gezicht op de pakhuizen op Uilenburg
aan de Rapenburgwal met op de achtergrond de Montelbaanstoren.
Gelet op de oude houten ophaalbruggen die kort na 1900 zijn
vervangen door de huidige ijzeren exemplaren, kan de tekening
gedateerd worden rond 1892. De plek van waaruit de kunstenaar
dit stadsgezicht tekende, het gedempte Nieuwe Grachtje, bestaat nog
en biedt anno 2006 verrassend genoeg grotendeels dezelfde
aanblik.
Willem
Wenckebach heeft veel bekendheid gekregen door zijn pentekeningen
van Amsterdam, welke vanaf 1898 om de dag verschenen in het
Nieuws van de Dag, en die later gebundeld werden uitgegeven. Ook
maakte hij tussen 1903 en 1918 tekeningen en aquarellen voor
dertien Verkade-albums door Jac. P. Thijsse. Als huisvriend
van de familie Verkade nam hij ook de coördinatie op zich. In dat
kader noemde Thijsse Wenckebach plagend "de deurwaarder", omdat hij
hem zo vaak achter de vodden zat. Wenckebach neemt een
vooraanstaande plaats in tussen de kunstenaars uit Nederlandse art
nouveau beweging. Hij leverde met de schilder-graficus Jan Veth een
belangrijke bijdrage aan de herleving van de boekversieringen en
illustraties in Nederland aan het einde van de 19de eeuw.
Schilderijen en tekening van Else Berg en Mommie
Schwarz
In
de laatste weken van 2005 kwam een schenking van de Stichting
Wiessing van den Eeckhout/mevrouw M.H. Teng-Diephuis binnen. De
schenking bestaat uit drie schilderijen, Zomermorgen en
Zelfportret aan de ezel van S.L. ('Mommie') Schwarz en
Rivierlandschap van Else Berg. Van Mommie Schwarz kregen
we tevens een tekening in gemengde techniek, Danseres.
Het
kunstenaarsechtpaar Else Berg (Ratibor 1877 - 1942 Auschwitz) en
Mommie Schwarz (Zutphen 1876 -1942 Auschwitz) speelde gedurende het
Interbellum een belangrijke rol in de Nederlandse kunstwereld. Hun
atelierwoningen in Amsterdamse Pijp - eerst in Tweede Jan
Steenstraat en de Albert Cuypstraat, vanaf 1927 aan het
Sarphatipark - waren ontmoetingsplaatsen voor beeldende
kunstenaars, schrijvers en musici. Berg en Schwarz woonden en
werkten tijdens de Eerste Wereldoorlog ook in het kunstenaarsdorp
Bergen. De werken zijn ongedateerd, maar het
Rivierlandschap van Else Berg is vermoedelijk ontstaan
tijdens een reis naar Italië in 1922 of naar Joegoslavië in 1931,
enkele van de vele buitenlandse reizen die het echtpaar tussen 1914
en 1935 maakte. De luministische Zomermorgen is een vroeg
werk van Schwarz, uit de periode 1914-1915 en beïnvloed door het
werk van Leo Gestel, het Zelfportret is waarschijnlijk
tussen 1935 en 1940 geschilderd. Over de tijdsperiode waarin de
Danseres ontstaan is valt niets met enige zekerheid te
zeggen.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog weigerden Mommie Schwarz en Else
Berg zich te conformeren aan de regels van Duitse bezetter en de
ster te dragen. Op 12 november 1942 werden ze uit hun huis aan het
Sarphatipark opgehaald en via Westerbork naar Auschwitz
gedeporteerd, waar zij op 19 november omgebracht werden.
Schetsboek en tekeningen van Salomon Garf
Met steun van de BankGiro Loterij kochten wij in
september 2005 bij het veilinghuis Glerum een schetsboek en vier
tekeningen van Salomon Garf. De losse potloodtekeningen hebben twee
zelfportretten (uit 1910 en uit 1914) en een meisjesportret (1908)
tot onderwerp. Wie de vierde geportretteerde is moet nog uitgezocht
worden. Het schetsboekje bevat zes tekeningen, waaronder een straat
met marktkramen in de jodenbuurt en een gezicht op het Jonas Daniël
Meijerplein met het synagogencomplex en de Mozes en
Aaronkerk.
Salomon Garf (Amsterdam, 1879 - Auschwitz, 1943) werd opgeleid aan
de Quellinusschool en de Rijksnormaalschool voor Teekenonderwijs in
Amsterdam. In de avonduren volgde hij teken- en schilderlessen aan
de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten, waar hij in 1904 -
tevergeefs - meedong naar de fameuze Prix de Rome.
Nog in hetzelfde jaar vestigde hij zich in het
kunstenaarsdorp Laren. In 1907 trad hij met Eva Cosette Baszinger
in het huwelijk, met wie hij een zoon kreeg. Vrouw en kind stonden
vaak model voor zijn schilderijen. In Laren wijdde Garf zich vooral
aan het schilderen van het boerenleven. Later namen ook portretten,
naakten, stillevens en interieurs een belangrijke plaats in zijn
oeuvre in. Er is slechts een klein aantal werken van zijn hand met
een joods thema bekend.
Na 1914 woonde en werkte hij jaren als een gewaardeerd kunstenaar
in Amsterdam-Zuid. Uit die periode dateert het schetsboekje. Garf
was lid van de vereniging Arti et Amicitiae, waarin hij ook een
bestuursfunctie vervulde. In de crisisjaren nam de belangstelling
voor zijn werk af, de Duitse bezetter maakte hem het werken verder
onmogelijk. In augustus 1943 werd hij uit zijn woning opgehaald,
gedeporteerd en in Auschwitz vermoord. Zijn atelier aan de
Koninginneweg werd leeggehaald. In de collectie van het Joods
Historisch Museum bevinden zich 18 werken van Salomon Garf.
Eeuwig Licht van Bram van Gelderen
In de zomer van 2005 heeft het museum een Eeuwig
Licht geschonken gekregen van de maker Bram van Gelderen (1928). De
eeuwige lamp hangt in de synagoge, gewoonlijk voor de heilige ark
en is zowel een verwijzing naar de menora die in de Tempel brandde
als een verwijzing naar Gods voortdurende aanwezigheid (Ex.
27:20).
Deze lamp is van plexiglas en bestaat uit een blauwe cirkel met
witte ronde schermen boven en onder. Het totaal geeft de indruk van
een verlichte dubbele kroon, zwevend in de ruimte. Het ontwerp is
in 2004 genomineerd geweest voor de Philip en Sylvia Spertus
Judaica Prize Competition in Chicago.
Bij het maken ervan heeft Bram zich laten inspireren door de tekst
van Jesaja 60: 20 "Uw zon zal niet meer ondergaan en uw maan
niet meer afnemen, want de HERE zal u tot een eeuwig licht zijn en
de dagen van uw rouw zullen ten einde wezen".
Bram van Gelderen is geboren in Amsterdam in 1928. Als architect
heeft hij ontwerpen gemaakt die gebaseerd zijn op functionalisme en
geïnspireerd door Bauhaus. Van zijn hand bevinden zich in de
collectie van het museum ook andere judaica-objecten zoals een
sederschotel, een mezoeza en een chanoekia.
Schilderijen en tekeningen van Cor Hund
Met steun van de BankGiro Loterij, Menno en
Louise Paktor-Jaeger en het Johanna Rebecca Wolff Fonds (legaat
Marianne Willems-Hendrix) heeft het JHM in 2005 27 schilderijen van
Cornelis Hund aangekocht en gerestaureerd. Daarnaast kreeg het
museum 102 tekeningen van Hund in bruikleen. Al deze werken
zijn tot stand gekomen in de periode 1938-1940, toen de
kunstenaar zijn atelier had op de bovenetage van 'Huize Bob', in
het hart van de Amsterdamse jodenbuurt.
Cor Hund, geboren in 1915, bezocht tussen 1932 en 1938 de
Rijksacademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam en leerde de
schildertechniek van H.J. Wolter (1873-1952), de realist die
gaandeweg meer invloed onderging van de Franse impressionisten.
Hund was vooral geboeid door landschappen en figuren. De
schilderijen en tekeningen van bewoners van de jodenbuurt en de
volkstypes op en rond het Waterlooplein, getuigen van veel gevoel
en een scherp oog voor detail. De somberheid, de vaak miserabele
omstandigheden waarin de geportretteerde personen verkeerden en de
harde contourlijnen waarmee de tekeningen en schilderijen zijn
aangezet, doen sterk denken aan het werk van Vincent van
Gogh.
Hund is zich vanaf 1942 voornamelijk gaan toeleggen op de
beeldhouwkunst. Bijzonder is dat de schilderijen en tekeningen het
atelier van de kunstenaar nooit verlaten hebben. Hunds waardering
voor dit eigen werk verdween in het licht van nieuwe abstracte
ontwikkelingen in de Europese schilderkunst. De recente
herontdekking van de schilderijen en tekeningen van Hund maakt
echter duidelijk dat deze verrassende werken een eigen plaats in de
geschiedenis van de Nederlandse kunst verdienen. Een ruime selectie
hieruit was in de zomer van 2005 te zien in de tentoonstelling
O, Waterlooplein… De oude Amsterdamse jodenbuurt.
Bekijk ook enkele bijzonder aanwinsten in 2004