In oktober
2009 is de documentencollectie van ons museum door schenking
verrijkt met een reisdagboek van Ernst Dooseman, een joodse jongen
uit het Amsterdam van het begin van de twintigste eeuw. In zijn
dagboek beschrijft Ernst een drietal vakantiereizen die hij in de
jaren 1921-1927 samen met zijn familie maakt. Wanneer Ernst als
13-jarige aan zijn dagboek begint, woont het gezin Dooseman aan de
Gelderskade 73 in Amsterdam. Zijn vader, Isaac Dooseman
(1884-1969), is koopman in galanterieën en redelijk bemiddeld. Op
12 februari 1908 wordt Ernst in Amsterdam geboren als zoon van deze
koopman en diens uit Duitsland afkomstige vrouw Ida Mahler
(1882-1965). Vijf jaar later wordt in 1913 nog een broertje
geboren: Walter Willem.
Samen met zijn familie maakte Ernst achtereenvolgens een reis naar
het Duitse Wiesbaden (in de zomer van 1921), naar Bad Harzburg in
de Harz (in de zomer van 1922) en naar Sankt Moritz in Zwitserland
(in de winter 1926-1927). Het dagboek van Ernst is vooral daarom
zo'n aardige aanwinst omdat wij van deze familie al een aantal
fotoalbums in ons bezit bleken te hebben.
In deze albums
vinden we foto's van de door Ernst beschreven vakantiereizen. Zo
treffen we in een van deze albums de hier afgebeelde foto aan van
een groepje mensen bij de zogenaamde Hexenküche (een rotsformatie
in de Harz). Op zaterdag 22 juli 1922 schrijft Ernst hierover in
zijn dagboek: "'s Middags gaan we uit rijden. Boven op den berg
gaan we zonder het rijtuig verder. Ontzaggelijke hoopen steenen van
10 en 20 M hoogte en zelfs van ± 125 m3 inhoud zien wij.
Sommige van die hoopen dragen namen (Hexenküche, Mausefalle)". Het
vredige tafereeltje op de foto blijkt bedrieglijk, want Ernst
schrijft verder: "Hevige ruzie tusschen tante Alida en tante
Serline".
Het lot zou
Ernst in de rest van zijn korte leven niet gunstig gezind zijn.
Vanaf het begin van de jaren dertig lijdde hij aan psychische
problemen en werd hij opgenomen in de joodse psychiatrische
inrichting "Het Apeldoornsche Bosch". Uit een in het dagboek
ingesloten brief blijkt dat hij ook de hulp had ingeroepen van de
in haar tijd bekende psychotherapeute Mia Kloek-Pirée. Als enige
van zijn gezin zou Ernst de oorlog niet overleven. Op 25 januari
1943 werd hij in Auschwitz vermoord. Wat bleef zijn de foto's en
zijn dagboek dat ons een intieme blik gunt op het leven van jongen
uit een gegoede joodse familie in de jaren twintig van de vorige
eeuw.
De
familie Labzowski woonde in het Zeeuwse stadje Zierikzee waar vader
Henoch Labzowski een kledingzaak had. Hij en zijn in Gulpen geboren
vrouw Laura Heuman hadden drie dochters: Betsy (1920), Rosa (1922)
en Clara (1924). De Labzowski's waren al lang met Zierikzee
verbonden want ook vader Henoch was daar in 1896 geboren. De
meisjes groeiden op als echte Zeeuwse meisjes, hadden veel
niet-joodse vriendinnetjes en leefden een gewoon leven.
Tijdens de Duitse
bezetting kwam hieraan een abrupt einde. Eerst moest de familie
Labzowski in 1942 noodgedwongen naar Amsterdam verhuizen als gevolg
van de anti-joodse maatregelen. Van de vijf gezinsleden overleefden
alleen Henoch Labzowski en zijn dochter Clara de oorlog. Deze
laatste heeft ons onlangs een drietal poëziealbums geschonken van
haarzelf en haar twee zussen. Tezamen met een aantal familiefoto's
vormen deze albums niet alleen een kostbare papieren herinnering
aan haar omgekomen familieleden maar geven bovendien een aardig
tijdsbeeld van het leven van drie schoolmeisjes en hun vriendinnen
in de jaren 1929-1938.
De
geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog is ook de geschiedenis van
individuele mensen. Elke keer blijven die verhalen weer verrassen.
Door een recente schenking zijn we onlangs in het bezit gekomen van
weer zo'n klein, maar aangrijpend verhaal. Het draait allemaal om
Sigmund Boekdrukker (1907-1943). Als zoon van Nathan Salomon
Boekdrukker (1866-1943) en Rosina Frank (1861-1923) werd hij op 4
december 1907 in Amsterdam geboren als vijfde en laatste kind in
dit joodse gezin. Vier zusjes waren hem voorgegaan. Sigmund groeide
voorspoedig op en vanaf 1936 werkte hij bij uitgeverij De Arbeiders
Pers waar hij de niet-joodse Mary Bijl leerde kennen met wie hij
een relatie kreeg. Tijdens de bezetting besloten zij hun relatie
door een huwelijk te bevestigen. De ambtenaar van de Burgerlijke
Stand raadde het hun echter af. Sigmund dook onder maar werd
uiteindelijk opgepakt, gedeporteerd en in Sobibor vermoord.
Op zijn weg naar de vernietigingskampen zat
Sigmund enige tijd in Westerbork waar Mary hem een aantal
gevoelvolle maar wanhopige brieven stuurde die zij als onbestelbaar
kreeg geretourneerd. Deze brieven maken nu deel uit van de
documentencollectie van ons museum. In deze collectie bevonden zich
weliswaar al veel brieven uit Westerbork, maar brieven áán iemand
in dit doorgangskamp komen veel minder voor. De brieven geven een
emotioneel en indringend beeld van de moeilijkheden waarmee
gemengde paren in de oorlog te maken kregen. Daarnaast omvat dit
archief ook nog een boeiend verslag, geschreven door Betty
Maarsen-Boekdrukker (een zus van Sigmund), over de toestanden in
joods Amsterdam na het begin van de deportaties in juli 1942. Na de
oorlog schreef Mary Bijl aan overlevende familieleden van Sigmund
een lange brief waarin zij uitgebreid inging op haar gevoelens en
belevenissen. Op een zeer persoonlijk niveau geven deze documenten
een indringend beeld van barre tijden.