Aanwinsten Kenniscentrum 2013

De oorlogsdagboeken van Edith Velmans-van Hessen, 1939-1942

In 1997 publiceerde Edith Velmans-van Hessen (1925) onder de titel Het verhaal van Edith fragmenten uit haar oorlogsdagboek aangevuld met brieven en herinneringen. Hierin vertelt zij het aangrijpende verhaal van haar familie, bestaande uit vader, moeder en drie kinderen, waarvan alleen Edith zelf en haar broer Guus de oorlog zouden overleven. In okober 2013 heeft Edith Velmans-van Hessen de originele dagboeken die aan deze publicatie ten grondslag liggen, aan het Joods Historisch Museum geschonken. De dagboeken - die de periode 1939-1942 beslaan en in totaal zeven cahiers omvatten, zijn opgenomen in de documentencollectie van het Kenniscentrum.

Edith van Hessen op klassenfoto Joods Lyceum Den Haag, april 1942 (in JHM F1238)Het begint allemaal in 1938 wanneer de in Den Haag wonende Edith van haar uit Duitsland gevluchte grootmoeder een fraai album krijgt. "Dit Album heb ik gekregen van mijn Grootmoeder. Toen al haar meubels uit Duitsland hierheen kwamen. Dit is dus een stukje erfenis", zo schrijft Edith voor in het dagboek. Het doel dat zij met dit album heeft, staat haar al meteen scherp voor ogen: "Ik gebruik dit album, om, als ik later groter ben, en al weer allerlei nieuwe dingen zie, dan weer terug te denken, aan de "hypermoderne tijd" waarin wij, volgens toen, geleefd hebben. En dan weer te lachen om de ouderwetse belachelijke dingen die wij in 1938 modern hebben gevonden."

Begin van het dagboek (JHM D15517)Aanvankelijk gebruikt Edith het album als plakboek. Ze plakt er plaatjes in van koningin Wilhelmina, van de laatste mode en van haar favoriet filmsterren: Greta Garbo, Henry Fonda en Bette Davis. Dan, vanaf  9 februari 1939, begint ze het als dagboek te gebruiken. "Ik eindig nu maar met de illustraties in dit  album en begin een dagboek. Ik hoop dat ik erbij kan illustreren, maar ik weet nog zo net  niet of dat altijd mogelijk is. Om mijn hartsgeheimen hieraan toe te vertrouwen, lijkt me te riskant. Want je kan nooit weten in wiens handen dit ooit  zal komen en wie het eens zal lezen."

Aanvankelijk weerspiegelt het dagboek het zorgeloze leven van een middelbare scholiere. De aantekeningen gaan vooral over haar belevenissen op school, over uitstapjes en over jongens. Haar vriendinnen, zo schrijft Edith op 20 april 1939, praten "over niks anders dan jongens, jongens en nog een keer jongens en fuifjes.  Niets anders. Begon me hartelijk te vervelen. Zei niet veel. Schaamde me een beetje omdat die lui zo abnormaal aanstellerig en ja ik weet niet hoe je het noemen moet maar Zo zou ik niet kunnen leven."

Dan vallen op 10 mei 1940 de Duitsers ons land binnen en wordt het zorgeloze leventje van Edith plotseling ernstig op zijn kop gezet. Het zijn angstige dagen, maar na de capitulatie lijkt het gewone leven weer zijn loop te nemen. "Alles valt mee. Het verleden, deze 5 dagen leek een boze droom. Alles gaat weer zijn gewone gang. Morgen gaan we weer naar school."

Maar na verloop van tijd wordt de situatie voor de joden in Nederland steeds bedreigender. Op 6 februari 1941 schrijft Edith: "Wij moeten ons allemaal aanmelden. Krijgen hoogstwaarschijnlijk een J in onze pas." Tijdens een uitstapje in het voorjaar van 1941 naar Wilnis ziet ze ook daar tekenen van de toenemende anti-joodse maatregelen. "Je zult moeten toegeven dat het nogal ontluisterend is als je een dorpje binnen rijdt en een bord ziet met: joden hier niet gewenscht."  (20-4-1941)

Op 29 augustus 1941 leest ze in de krant dat joden niet meer naar school mogen. Vanaf oktober 1941 bezoekt ze het Joods Lyceum, de verplichte school voor joodse leerlingen, van wie sommigen zich vóór de bezetting niet of nauwelijks bewust waren dat ze joods waren. De situatie wordt steeds grimmiger en op 1 januari 1942 schrijft Edith: "Overal worden joden vervolgd en zijn niet langer zeker van hun leven of hun rechten… Tegenwoordig heeft iedereen die de last van de 'misdaad' van zijn vier grootouders draag, elk recht op een menswaardige behandeling verspeeld." En op 1 mei 1942 schrijft ze:  "Vogelvrij verklaard zijn we nu…". 

Edith van Hessen over de invoering van de jodenster (JHM D15517)Die laatste aantekening slaat op de invoering van de jodenster waarover ze een paar dagen later schrijft:
"Allemaal hebben we al onze sterren op. Het werkt erg op mijn lachspieren. Het is toch zo'n flauwekul dat gedoe met die sterren. Je hoort de prachtigste staaltjes en de moppen verspreiden zich nog vlugger dan de geruchten. De mensen met sterren op worden gegroet. Ze nemen hun hoed voor je af en maken allerlei opbeurende opmerkingen. Het is prachtig. Vandaag schijnt een Duitse soldaat Vader gegroet te hebben. Ik had ook een ster op mijn sjaal genaaid, hetgeen niet mag, maar ik wacht tot iemand er iets van zegt. Op het distributiekantoor was iedereen verbazend aardig. Iemand zei tegen mij: 'Doe dat stomme ding er toch af! Gooi het toch weg!' Het is echt heel leuk." (4 mei 1942)

Op 13 juli 1942 maakte ze de voorlopig laatste aantekening in haar dagboek. Uit veiligheidoverwegingen raadt haar vader haar aan tijdens haar onderduik geen dagboek mee te nemen. Vóór haar onderduik bij de familie Zur Kleinsmiede in Breda gaf ze de cahiers af aan haar vriendin Miep Fernandes. Onder de naam Antoinette Schierboom verbleef Edith de rest van de oorlog bij de familie Zur Kleinsmiede. Pas na de bevrijding van Breda zet zij haar dagboekaantekeningen op 13 november 1944 weer voort. Van haar directe familieleden zou alleen haar broer Guus - die kort voor het uitbreken van de oorlog naar Amerika was gegaan - de oorlog overleven.

In de herfst van 1945 gaat Edith in Amsterdam psychologie studeren. In 1948 neemt ze een tijdelijke baan aan bij een joods kindertehuis. In deze periode komt ze Loet Velmans weer tegen, een vriend van haar broer Jules die ze nog van vroeger kent. Loet was uit Japanse krijgsgevangenschap teruggekeerd en geeft al snel aan met Edith te willen trouwen. In 1948-1949 gaat Edith echter eerst een jaar studeren aan Columbia University in New York. Pas na haar terugkeer in Nederland geeft ze Loet haar ja-woord. Edith en haar man krijgen in 1950 een tweeling en wonen inmiddels al vele jaren in de Verenigde Staten.

Vera Serlui als leerlingverpleegster in De Creche, september 1942

Schenking dagboek Vera Serlui (1922-1942)

De bijzondere collectie dagboeken van het Joods Historisch Museum is in februari 2013 uitgebreid met het oorlogsdagboek van de Amsterdamse Vera Serlui.   

Vera - voluit Veronica - Serlui hield aan het begin van de oorlog een dagboek bij. Ze was toen 20 jaar oud. Vera werkte aanvankelijk bij modehuis Hirsch in Amsterdam, dat in 1941 onder Duits beheer gesteld werd. Daarna kwam ze te werken bij de firma De Vries van Buuren. Deze groothandel in textiel, opgericht in 1830, was later gevestigd in verschillende panden in Amsterdam: aan de Jodenbreestraat op nummers 8,10 en 12 en aan het Waterlooplein en de Zwanenburgwal. De firma had de naam goed voor haar personeel te zorgen; er was een ziekte- en pensioenfonds voordat dit wettelijk verplicht werd.

Eerste pagina van het dagboek, 31 januari 1941De firma had veel joodse werknemers (waarvan er dan ook veel op transport gesteld zijn), maar ook niet-joodse werknemers en zo leerden de joodse Vera en de niet-joodse Nan elkaar kennen. Ze werden zulke goede vriendinnen dat Vera haar dagboekje aan Nan opdroeg en voordat ze op transport gesteld werd, droeg ze het aan haar over.

Het dagboek is geschreven in een schoolschriftje. Het beslaat 51 pagina's. Voorin staat de opdracht Voor Nan, ter herinnering aan onze gezamenlijke De Vries van Buuren tijd.

Vera Serlui met Ernst van Praag te paard, 1940De eerste pagina is gedateerd: Oorlogswinter 31 januari 1941, maar over de oorlog zelf vertelt het dagboek weinig. Vera stipt de gebeurtenissen alleen terloops aan, zoals 'de toestand' en 'de staking' (de Februaristaking), en dat een vriend nu in een concentratiekamp zit en er dingen voor joden verboden zijn. Meer vertelt ze over collega's en de omstandigheden op het werk, vooral over jongens die ze leuk vindt, verliefdheden, over haar vriendinnen en de boeken die ze leest. Ze is een ontwikkeld en belezen meisje en wat ze schrijft is mooi van taal. Het dagboek begint met de verjaardag van het dan driejarige prinsesje Beatrix op 31 januari en het eindigt op 16 augustus 1941.

Vera werkt niet lang bij De Vries van Buuren, want voordat ze in november 1942 in Auschwitz sterft, is ze ook nog leerlingverpleegster in De Creche, tegenover de Hollandsche Schouwburg.

Vera zelf heeft de oorlog niet overleefd, maar het dagboek wel. Haar vriendin heeft het al die tijd bewaard. Inmiddels is ook zij overleden en haar beide dochters kwamen het schriftje aan het JHM schenken. Hiermee is weer een mooi egodocument aan onze collectie toegevoegd.

 

Zie ook de bijzondere aanwinsten van het Kenniscentrum (voorheen mediatheek) uit 2008, 2009 2010 2011 en 2012

jhm.nljhmkindermuseum.nlhollandscheschouwburg.nlportugesesynagoge.nletshaim.nljoodsmonument.nlmenassehbenisrael.nl