Rosey E. Pool
(1905-1971)Dichteres en cultureel antropologe Rosey E. Pool studeerde in
Amsterdam, Berlijn, Perugia en Parijs en publiceerde in de
naoorlogse jaren verschillende bundels met Afro-Amerikaanse poëzie.
Geboren in de Amsterdamse jodenbuurt zou ze een groot deel van haar
leven in het buitenland doorbrengen.
De laatste 21 jaar woonde ze in Londen met haar
vriendin Isa Isenburg. Ze gaf wereldwijd lezingen, publiceerde,
vertaalde en onderhield een uitgebreide correspondentie met
Afro-Amerikaanse dichters.
Tijdens de Duitse
bezetting wist ze uit Westerbork te ontsnappen en dook vervolgens
onder.
Tijdens haar
onderduik schreef ze gedichten. Het typoscript van die gedichten
werd begin 2012 aan het Joods Historisch Museum geschonken. Deze
schenking leidde ongeveer een maand later tot een nieuwe schenking
van een groot aantal foto's van Rosey die betrekking hebben op
haar hele leven. We zien Rosey als klein meisje met haar moeder,
als student met onder andere Hilda Verwey-Jonker, met
Afro-Amerikaanse dichters en kort voor haar dood in 1971 met haar
levenspartner Isa Isenburg. Typoscript en foto's geven samen een
beeld van leven en werk van deze bijzondere vrouw.
De 75 dagboeken die het museum bezit, zijn tussen 1841 en 1960
door een grote verscheidenheid aan auteurs geschreven.
Door
de dagboeken leren wij het verleden beter kennen en begrijpen, en
het Joods Historisch Museum is dan ook blij dat onze collectie in
2012 met vijf dagboeken is uitgebreid.
Het gaat om de dagboeken van Elisabeth
Hakkert-Knap over de jaren 1901-1906, Jan de Jong over de jaren
1936-1941, Lou Evers over de jaren 1941-1944, Werner Löwendorff
over de jaren 1933-1945 en Ernestine Panofsky-Bloch over de jaren
1942-1947.
Stuk voor stuk geven deze dagboeken op persoonlijk niveau een inzicht in de geschiedenis van de joden in Nederland. Zo gaat Elisabeth Hakkert-Knap vroeg in de 20e eeuw niet alleen in op haar huwelijksleven en haar reizen, maar ook op de oprichting van de bekende Rotterdamse muziekhandel Hakkert die zij samen met haar man begint. Jan de Jong (1916-1943) hield vanaf 1936 een omvangrijk dagboek bij waarin hij schrijft over zijn studietijd en familieleven. Lou Evers (1927) gebruikte zijn dagboek tevens als plakboek en legde als jonge jongen nauwgezet de anti-joodse maatregelen vast. Werner Löwendorff beschrijft vooral zijn onderduiktijd, die hij onder valse naam in relatieve vrijheid doorbrengt en gaat tegen het einde van zijn dagboek ook in op de bevrijding. Ernestine Panofky-Bloch ten slotte beschrijft ook de jaren direct na de oorlog.
Het Joods Historisch Museum beheert een
aantal familiearchieven met een bijzondere museale waarde,
zoals die van de families De Pinto, Visser (van het Mr.
Visserplein) en Menko.
In 2012 zijn daar enkele interessante
archieven bijgekomen waaronder dat van de familie Belinfante,
dat de periode 1796-2000 bestrijkt, en dat van de bekende
tabaks- en uitgeversfamilie Cohen uit Amersfoort, over de periode
1727-1950.
Beide archieven
bevatten bijzonder interessante stukken. Zo treffen we in
het Belinfantearchief onder andere een correspondentie aan tussen
de heren Belinfante en De Solla en de bekende Franse voorvechter
van gelijke rechten voor joden de Abbé Henri Grégoire (1750-1831).
Daarnaast bevat het archief veel fraaie foto's die de periode
1870-2000 bestrijken. Het Cohen-archief omvat, naast veel notariële
akten met betrekking tot bijvoorbeeld de bekende koopman Benjamin
Cohen een aantal brieven van de bekende Nederlandse voorvechter van
gelijke rechten Jonas Daniel Meijer.
Zie ook de bijzondere aanwinsten van het Kenniscentrum (voorheen mediatheek) uit 2008, 2009, 2010 en 2011