Clairy Polak heeft op donderdag 24 november 2011 de
tentoonstelling Mijn naam is Cohen in het Joods
Historisch Museum geopend. Hieronder de tekst die ze bij die
gelegenheid uitsprak:
Mijn naam is Polak. Maar ik ben gevraagd om deze
expositie te openen omdat ik in een interview met Vrij
Nederland ooit heb verteld dat ik met enige regelmaat in mijn
leven ben aangesproken met mevrouw Cohen. Dat blijkt ons bijna
allemaal wel eens overkomen te zijn, las ik in het boek dat bij
deze tentoonstelling wordt uitgegeven. En allemaal hebben we onze
eigen manier om daarop te reageren. Zelf antwoord ik steevast dat
de associatie even juist als veelzeggend is, van Freek Polak
hoorde ik onlangs dat wijlen zijn vader Ben, in Amsterdam een
gerenommeerd huisarts, dan iets antwoordde in de trant van: "Er
zijn ook Joden die Polak heten, hoor", een uitspraak die terugkomt
in het verhaal van Peter Cohen.
Een veel gestelde vraag is ook: "Ben jij familie van……….?" Niemand,
letterlijk niemand heeft mij overigens ooit gevraagd of ik familie
was van mijn vader, waarschijnlijk omdat die bekend was onder de
naam Pola. Geen poging om zijn Joodse afkomst te verbergen of te
ontkennen, zoals sommigen wel hebben gedacht, maar gewoon een vrij
voor de hand liggende manier om - zoals in zijn tijd gebruikelijk
was - een pseudoniem, een artiestennaam te kiezen, nadat Ben
Elders, zoals hij zich ook ooit noemde, afgezaagd was
geworden.
Een Joodse achternaam kan leiden tot veel verwarring, niet in de
laatste plaats bij de drager zelf. Hoe Joods ben ik
eigenlijk. Mijn moeder was het niet, mijn grootvader bekeerde zich
in Theresiënstadt tot het christelijke geloof, zelf geloofden we
niet, we deden niet aan joodse gebruiken. Nou ja, we aten wel
eenmaal per jaar matzes, maar met Pasen, niet met Pesach.
Maar zeggen dat je dús eigenlijk helemaal niet joods bent, voelt
een beetje als een ontkenning die gelijk staat aan het verraad van
Petrus. En het voelt ook een beetje als verraad aan je
voorouders.
Dennis Cohen heeft het over lotsverbondenheid als iets wat iemand
tot jood maakt. Je bent ook je geschiedenis, zegt hij.
Hij heeft het dus over het besef dat Joden al meer dan
2000 jaar worden vervolgd. Ik herken dat wel. Als ik bijvoorbeeld
felle discussies had met mijn vader over de politiek van
Israël, beslechtte hij deze steevast met een conclusie in de trant
van: Ik ben een Jood, ik heb 2000 jaar vervolging achter me, dus
kom me niet aan met kritiek op Israël. Alsof je dat niet los van
elkaar zou kunnen zien.
Arnon Grunberg schrijft in het voorwoord dat hij niet denkt dat de
Holocaust het centrum van de Joodse identiteit zou moeten zijn. Dat
kun je wel denken, maar in veel gevallen heeft dat besef van
lotsverbondenheid wel degelijk betrekking op de Sjoa. Onze ouders
of grootouders spelen in alle verhalen een rol, en daarmee in
vrijwel alle gevallen ook in meer of mindere mate de Tweede
Wereldoorlog. Ik denk dat dit zo zal blijven zo lang er nog mensen
van de eerste en tweede generatie in leven zijn. Nooit meer
Auschwitz krijgen we allemaal met de paplepel ingegoten, seculier
of niet, dat doet er niet toe. Ik ben ooit met een reis van het
Auschwitz Comité mee geweest, langs de Poolse kampen. Al snel gaat
het op zo'n reis hoeveel familieleden werden vermoord in de oorlog.
Al snel ontstaat er een hiërarchie van het leed. Dat doet er
blijkbaar wel toe. Dát bepaalt blijkbaar in hoeverre we ons
identificeren met onze achternaam.
Onze geschiedenis bepaalt mede onze identiteit. Voor wie zou dat
niet zo zijn? En voor zover die geschiedenis collectief is en zich
doet vermoeden aan de hand van onze naam, worden wij daar met enige
regelmaat mee geconfronteerd. Door anderen vaak, maar ook door
onszelf. Dat heeft de gemiddelde Jansen dan weer niet. In die zin
zijn wij uitverkoren. En de Cohens dubbel. Want aan hen is deze
expositie gewijd. Met prachtige foto's en dito verhalen. Daar kan
een Polak stinkend jaloers op zijn.
Clairy Polak