Chaim Soutine wordt geboren in een
groot, armlastig gezin in Smilovitchi, een klein stadje in de buurt
van Minsk in Litouwen. Ondanks het verzet van zijn omgeving, op
religieuze gronden, tegen zijn wens om kunstenaar te worden,
vertrekt Soutine in 1909 naar Minsk, waar hij een kunstopleiding
volgt. Van 1910 tot 1913 studeert hij aan de academie van
Vilnius.
In 1913 gaat hij naar Parijs en vestigt zich in
Montparnasse, in La Ruche. Soutine neemt les op het atelier van
Cormon, bezoekt het Louvre en wordt een gepassioneerd bewonderaar
van de oude meesters, waaronder Rembrandt. Hij schildert stillevens
met voedsel, stadsgezichten en zelfportretten in een rauwe,
kleurrijke expressionistische stijl en leidt een teruggetrokken
leven van armoede en ellende. Wanneer hij in 1915 Amedeo Modigliani
ontmoet, ontstaat er een hechte vriendschap tussen de verfijnde,
zelfbewuste Italiaan − die zichzelf graag voorstelde met de
woorden: 'Je suis Modigliani, Juif' (Ik ben Modigliani,
jood) − en de onbeholpen, ruwe Oost-Europeaan, die zich voor zijn
eenvoudige joodse achtergrond eerder schaamde. Ze worden buren in
het ateliercomplex Cité Falguière en Modigliani brengt Soutine in
contact met zijn kunsthandelaar Leopold Zborowski, die werk van hem
aankoopt. In 1922 koopt de Amerikaanse verzamelaar Albert
Barnes tweeënvijftig van zijn schilderijen en zorgt daarmee voor
zijn internationale doorbraak.
In hetzelfde jaar leert Soutine de Franse verzamelaars Marcellin en
Madeleine Castaing kennen, met wie hij een blijvende vriendschap
sluit. De familie Castaing ontvangt hem graag op hun buiten in
Lèves, waar hij onder meer de familie en huisgenoten schildert. In
de volgende jaren schildert hij vervreemdende landschappen in de
Provence, vertekenende portretten van koorknapen, bediendes en
bakkersknechten en bloederige karkassen van runderen, paarden en
gevogelte, in expressieve tinten en met een overdadig, boetserend
verfgebruik. Zijn werk wordt vaak geëxposeerd en stijgt in prijs.
Het Portrait de Charlot uit circa 1937 is een van de
veertig werken van Chaim Soutine die oorspronkelijk tot de
collectie van Marcellin en Madeleine Castaing behoorden.
Compositie, verfgebruik en kleurstelling zijn exemplarisch voor
zijn werk uit die tijd.
Roem en relatieve welvaart hebben Chaim Soutine weinig rust en
geluk gebracht. Hij wordt geplaagd door gevoelens van onzekerheid
en door maagzweren. Na de Duitse bezetting van Frankrijk in 1940
verhuist hij in de provincie van het ene onderduikadres naar het
andere. Door ziekte gedwongen keert hij in augustus 1943 terug naar
Parijs, waar hij overlijdt ten gevolge van een mislukte
maagoperatie.