In de tentoonstelling zal werk getoond worden van een
vijftiental joodse kunstenaars: schilders, tekenaars, beeldhouwers,
ontwerpers en fotografen, voor wie de gebeurtenissen in de Tweede
Wereldoorlog van invloed zijn geweest op hun artistieke
ontwikkeling. Voor sommigen betekende de oorlog een afsluiting van
een periode van bekendheid en waardering als kunstenaar; anderen
kregen juist na 1945 de gelegenheid om geheel nieuw werk te maken,
vaak in opdracht. Velen voelden zich als kunstenaar
verantwoordelijk een bijdrage te leveren aan de wederopbouw van
Nederland en streefden daarmee naar een nieuwe, betere
maatschappij. In de tentoonstelling zal werk te zien zijn van Emmy
Andriesse, Maria Austria, Eva Besnyö, Paul Citroen, Jules Chapon,
Wessel Couzijn, Jaap Kaas, Ro Mogendorf, Pearl Pearlmuter, Benno
Premsela, Ralph Prins, Hein Salomonson, Leo Schatz, Otto Treumann
en Jobs Wertheim.
De tentoonstelling is opgedragen aan Hans Jaffé (1915-1984),
oud-directeur van het Joods Historisch Museum.
Na de bevrijding
In Nederland is na de bevrijding in 1945 de behoefte aan orde en
rust groot. In politiek, maatschappelijk en cultureel opzicht wil
men het liefst de vooroorlogse situatie zo snel mogelijk herstellen
om vervolgens aan de wederopbouw te kunnen beginnen. Tegelijkertijd
echter is er een kleine groep intellectuelen en kunstenaars die,
vooral ook door de ervaringen in de oorlog, wil breken met die
vooroorlogse situatie. Bevrijding betekent voor hen ook het zich
vrij maken van al het oude. Men wil een nieuwe en betere
maatschappij.
Deze tegenstelling tussen het behoudende en het vernieuwende is in
de na-oorlogse jaren ook in de kunsten te vinden. Kenmerkend voor
de periode 1945 - 1960 is dan ook dat traditie en experiment naast
elkaar bestaan en dat er tegelijkertijd veel verschillende
stromingen en kunstuitingen zijn.
Willem Sandberg, van 1945-1963 directeur van het Stedelijk Museum
in Amsterdam, speelt in deze periode een belangrijke vernieuwende
rol in de Nederlandse kunstwereld. In een toenemend aantal
exposities streeft hij ernaar de internationale ontwikkelingen te
tonen en zo de smaak van het publiek te verbeteren en de
kunstenaars te stimuleren. Tegelijkertijd besteedt hij aandacht aan
jonge, vernieuwende Nederlandse kunstenaars zoals de Cobragroep,
geeft hij foto-opdrachten, stimuleert hij in opdrachten en
tentoonstellingen de (industriële) vormgeving en is hij lid van
talrijke aankoop- en tentoonstellingscommissies.
Schilderkunst
In de schilderkunst na 1945 zijn wat voorzichtige vernieuwingen te
signaleren. Als een aantal schilders, onder wie Karel Appel en
Corneille, in 1948 de Experimentele groep opricht, is dat echter
een schok. In hun spontane en expressieve manier van schilderen
reageren zij op de academische tradities, waarbij techniek zo
belangrijk is. Samen met kunstenaars uit Brussel en Kopenhagen
vormen zij de CoBrA groep. Hun werk, min of meer figuratief en vaak
heftig in heldere kleuren geschilderd, heeft te maken met folklore,
primitieve kulturen en kindertekeningen.
Beeldhouwkunst en Oorlogsmonumenten
Een nieuw verschijnsel in de Nederlandse beeldhouwkunst na 1945
zijn de oorlogsmonumenten. Echter, vooral de oudere generatie
kunstenaars krijgt hiervoor opdrachten. Academisch, traditioneel,
figuratief, vakmanschap en een bescheiden monumentaliteit zijn
kenmerken voor hun werk. De opdrachten voor de oorlogsmonumenten
betekenen dan ook geen vernieuwing in de beeldhouwkunst. Pas rond
1955 zijn er nieuwe tendensen te bespeuren. Contacten met
kunstenaars in het buitenland, de Cobragroep en het ontwikkelen en
gebruiken van nieuwe technieken en materialen, maakt dat een steeds
grotere groep beeldhouwers, onder wie Couzijn en Perlmutter, vrij
en abstract gaan werken.
Fotografie
De fotografen die tijdens en direct na de oorlog werken, kiezen
voor fotografie vanuit een maatschappelijk engagement. Het gaat om
het maken van foto's van mensen, om het documenteren van wat er
gebeurt. Zij weten in hun werk een evenwicht te vinden tussen het
kunstenaarschap en het ambachtelijke; fotograferen is niet alleen
een vak, het is een deel van een levenshouding. In hun werk geven
zij hun visie op de werkelijkheid.
Architectuur en Vormgeving
Architecten en vormgevers zijn zich in deze tijd van wederopbouw
zeer bewust van hun dienende functie. Hun werk moet een uiting zijn
van een nieuwe visie op de maatschappij. Functionaliteit,
soberheid, kwaliteit en bereikbaarheid voor een groot publiek zijn
de kernbegrippen.
Joodse Kunstenaars
Voor de joodse kunstenaars zijn de oorlogsjaren een periode van
gedwongen isolement geweest. Voor de oudere generatie die voor 1940
tot de toonaangevende kunstenaars behoorde, betekent dit vaak dat
zij geen aansluiting meer kunnen of willen vinden bij de
na-oorlogse vernieuwingen in de beeldende kunst.
Bij de jongere generatie daarentegen is de wens tot vernieuwing
sterk aanwezig. Daarnaast vormen hun ervaringen in de oorlog vaak
een motivatie om met hun werk bij te dragen aan een nieuwe
maatschappij. Instellingen en bedrijven geven hiertoe de
mogelijkheid in de vorm van opdrachten voor woningen en interieurs,
wandversieringen en kantoren, beelden, foto-series en drukwerk. Pas
in later jaren zal een aantal van hen in hun werk direct reageren
op de gebeurtenissen in de oorlog of steeds meer belangstelling
krijgen voor Israël en de joodse cultuur en religie.
De vormgeving van de tentoonstelling
De inrichting en grafische vormgeving van de tentoonstelling is
een eindexamenproject van twee studenten van de Gerrit Rietveld
Academie te Amsterdam. Er is niet gekozen voor een indeling per
kunstenaar maar de tentoongestelde werken zijn gegroepeerd op basis
van een onderlinge verwantschap naar vorm of inhoud. Ontwerpen en
foto's van oorlogsmonumenten zijn door de gehele tentoonstelling te
vinden. Op het introductiepaneel staan de biografieën van de
vijftien deelnemende kunstenaars beschreven. Ten behoeve van de
bezoeker is deze informatie ook op een vouwblad verkrijgbaar.