Waarom grijpt de 60-ste verjaardag van Israël mij - en misschien
u allen - zo aan? Zo bijzonder is het nou ook weer niet - ik
bedoel: 58 en 59 waren niet minder belangrijk. Of 61, weet ik uit
eigen ervaring. Maar we hebben dat rare mechanisme dat we sommige
jubilea met een soort mythische blik bekijken. Net als u lees ik
een schier eindeloze reeks artikelen, afwisselend met ontroering,
ergernis, instemming, woede, en met een soort meetlat - zoals joden
dat doen. Is de schrijver vóór of tegen ons? Waarom zie ik zo vaak
het woord "nagba"? Een catastrofe? Kom op, mijn hele jeugd was
doordrenkt met Zionistische dromen, gesteund door de horrasfeer van
de jeugdbeweging, die zich met onvermoeibare wellust meester maakte
van mijn romantische jongensziel, dolend tussen de theorieën van
Theodor Herzl en Mozes Hess, Karl Marx en Abel Hertzberg,
Ben-Goerion en Jabotinsky, socialisme en revisionisme, testosteron
en adrenaline.
Ik behoor tot de generatie die er eigenlijk niet had mogen zijn.
Zelfs de Endlösung is, gelukkig, niet helemaal tot in de perfectie
uitgevoerd. En daarom ben ik er - daarom zijn velen van u er.
Daarom ook is onze lotsverbondenheid met Israël misschien extra
groot. Het Israël - onze leeftijdsgenoot - net als wij, geboren op
de ruïnes van de Sjoah, van onze eigen catastrofe. Israël, dat er
volgens zijn vijanden eigenlijk niet had mogen zijn, evenmin als
mijn generatie. Vijanden in de buurlanden, maar ook de
fellow-travelers hier in Nederland, die hun traditionele
vooroordelen projecteren op het Israël van nu.
Zijn wij, van onze generatie, naïef of blind voor de realiteit van
het moderne Israël? Natuurlijk niet. Ja - misschien keek de
Zionistische droom van de horradans een beetje door een roze bril,
maar ook toen al, als jonge meisjes en jongens, begrepen we de
problemen van het Nabije Oosten. Ik lees voortdurend dat wij
gehersenspoeld zouden zijn door allerhande propaganda. Dat wij ons
sprookjes op de mouw lieten spelden over het politieke en militaire
spel in de jaren tot 1948. Dat politici en media decennia lang in
de zogenaamde "Israëlische val" zouden zijn gestapt. U moet van mij
aannemen dat wij, ook toen al, dansend op de tonen van de
strijdliederen van de chaloetsiem, de pioniers, wisten dat de
oorlog van 1948 - om de scherpzinnige historicus Benny Morris te
citeren - zou voortduren totdat het delingsplan voor Palestina
definitief zou worden uitgevoerd. Zover is het nog steeds niet, en
dus leven we in HaMatzav - de toestand. Al behoor ik tot het kleine
groepje, dat rotsvast blijft geloven in een rechtvaardige
oplossing, waarbij "vrede" iets meer is dan "geen oorlog".
Maar voor mijn generatie geldt ook dat het Israël van nu niet de
staat is zoals wij ons die destijds voorstelden. Toen ik, 41 jaar
geleden, tijdens de Zesdaagse Oorlog, in Israël kwam, was het wél
wat ik me had voorgesteld. Een beetje stoffig, een beetje
provinciaal, een beetje simpel. De kibboets bestond écht, ik
bestuurde er een bulldozer met een Uzi op mijn schouder, Jaffa
sinaasappels hingen echt aan de bomen in de pardessim, de groene
woestijn was een wonder dat je zomaar kon bezichtigen. We gingen
nieuwsgierig kijken in de bezette gebieden (die de Israëli's toen
ook nog gewoon "bezette gebieden" noemden, dus voordat de politiek
onbestemde benaming "de gebieden" werd bedacht). En we ontmoetten
Arabieren - het woord Palestijn moest toen nog inburgeren. En wij
waren ervan overtuigd dat deze fase tijdelijk was, en een onmisbaar
onderdeel van een proces dat onherroepelijk tot vrede zou
leiden.
Israël was, ook toen, een enorme smeltkroes, met een wirwar aan
culturen, gewoontes, talen. Wat toen vooral opviel, was de kloof
tussen de generatie van de Jisjoew, de voornamelijk Europese joden
die het moderne Israël gestalte hadden gegeven, en de Sefardische
en Jeminitische joden - groepen die maatschappelijk en emotioneel
langs elkaar leefden. Maar wat je toen veel minder zag dan nu was
het enorme onderscheid tussen orthodox en seculier - aan joodse
zowel als aan Palestijnse kant. Om joden met sjtreimels te zien
moest je naar Mea Sjearim, of Bnei Barak. Vrome Arabieren zag je
ook, bij de Tempelberg op vrijdag. Ook het omgekeerde is van later:
de explosie van seculier modernisme, van snelwegen, een skyline,
schitterend geklede jonge mensen, mobiele telefoons (Israëli's zijn
wereldkampioen telefoneren). En tegelijkertijd de explosieve groei
van de orthodoxie van de zwarte jassen, van jesjiwoth, joodse
leerscholen, van lange jurken, lange mouwen, sjaitls, tritsen
kinderen - een groeiende kloof tussen seculier en religieus, een
misjmasj die de staat nog altijd doet twijfelen of hij een
democratie of een theocratie is.
Die caleidoscoop van tegenstellingen is de laatste 20, 25 jaar
enorm gegroeid. Het Israël van nu is het Israël van "de toestand",
met een muur, met check-points, met eenzame joodse nederzettingen
in troosteloze steppen (ik noem ze sjtetls-in-the-desert). Met
beeldschone jonge meisjes en jongens in uniform. Met aan de andere
kant beeldschone jongens met kefiahs en meisjes met hoofddoeken.
Een land, verscheurd door een lastig conflict, levend in
onzekerheid, bedreigd door aanslagen en aanvallen. Een land van
patrouilles, metaaldetectors, opgeblazen huizen. Een land van
Qasams en F-16's. Maar ook een land met de sterkste munt ter
wereld, een militaire supermacht, een ICT supermacht, een
landbouwkundige supermacht. En een land waar de waarden van de drie
monotheïstische godsdiensten een rol spelen in vrijwel ieders
leven.
Als journalist, of fotojournalist, of fotograaf en videokunstenaar
kun je het gebied op allerlei manieren vastleggen. Met vlaggen - de
Israëlische en de Palestijnse. Met wilskrachtige krijgers. Met
droevige beelden van ingeslagen raketten, of mer mooie foto's van
imposante symfonieorkesten.
In deze tentoonstelling, Art of the State, zijn van al die
onderwerpen elementen bijeen gebracht. Maar nooit - echt helemaal
nooit - zoals je verwacht. Het beeld dat hier tot ons komt van de
60-jarige staat is afwisselend geestig, tergend, weemoedig,
beangstigend, hoopgevend, weerbarstig, uitdagend - maar vooral:
fascinerend. Het is géén fotojournalistiek, het is kunst - kunst op
een niveau zoals je dat zelden ziet. Het zijn geënsceneerde,
geposeerde en gemonteerde opnamen, waarin alle aspecten van de
voortdurende culturele, politieke, religieuze en maatschappelijke
contrasten op soms onnavolgbare wijze op hun plaats vallen. U gaat
moderne varianten zien van oude thema's, waarnaar Rembrandt (die
hier om de hoek woonde en werkte) ongetwijfeld met ontzag zou
hebben gekeken. Abraham die op het punt staat Izaäk te offeren -
dat onnavolgbare schilderij dat in de Hermitage hangt - ziet u hier
in de interpretatie van Adi Nes: een armoedige zwerver, op weg met
een volgeladen supermarkt kar, waar bovenop een jongetje ligt te
slapen. De profeet Elija is bij hem een oude man op een bankje,
buiten. U zult een prachtige variant zien op het Laatste Avondmaal,
de seider maaltijd die Jezus viert met, zoals in het Nieuwe
Testament staat, zijn 12 discipelen. Hier ziet u de centrale
figuur, een soldaat, met niet 12 maar 13 soldaten. In de
voorstelling van Leonardo DaVinci zie je de ontsteltenis door de
onthulling van Jezus dat een van de aanwezigen hem zal verraden. In
de foto, hier op de tentoonstelling, is de centrale figuur totaal
geïsoleerd - zijn kameraden praten met elkaar, maar niet met
hem.
We zien Adam en Eva, we zien Cain en Abel - onnavolgbaar. Maar ook
de tegenstelling tussen de mondaine wijk Shenkin in Tel Aviv, vlak
voor de shabat, en als contrast ultraorthodoxe burgers die op het
punt staan te gaan picknicken in een bos. Een adembenemende foto
van een oude, Arabische man die voor een bulldozer staat, zoals die
onvergetelijke Chinees in zijn witte overhemd voor een tank stond
op Tienanmen. Soldaten en Palestijnen, maar ook soldaten als
homo-erotische droom.
De beelden zijn soms choquerend, maar meestal vooral fascinerend.
Het is niet het Israël van de horra, ook niet het Israël waarvan ik
droomde als jongetje van vlak na de oorlog. En toch ook wel. Het
land dat er, net als wij, eigenlijk niet had mogen zijn, is er -
net als wij - toch. Het is, net als wij, al ruim van middelbare
leeftijd. Net als wij, misschien niet zo gracieus als we zouden
willen. Maar de ironische puzzelstukjes van Art of State geven
samen een beeld van wijsheid en inzicht over jezelf die komt met de
jaren. "In veel wijsheid is veel verdriet, en wie zijn kennis
vermeerdert, vermeerdert smart". Die woorden zijn niet van mij,
maar van de Prediker - wiens somberheid samensmolt met hoop en een
rotsvast vertrouwen. Dank aan het Joods Historisch Museum voor het
binnenhalen van deze collectie soms wat doffe, maar altijd echte
parels. Het is waarlijk "state of the art". Geniet van deze
prachtige expositie - Art of the State.
© 2008 Bernard Hammelburg, Amsterdam/New York