Een nog onbekende foto van
de joodse komiek Max Tailleur (1909-1990) dook onlangs op in de
fotoarchieven van het Maria Austria Instituut te Amsterdam. De foto
uit 1960 toont Tailleur in zijn huiskamer voor een groot portret
dat zijn vriend de illustrator Eppo Doeve (1907-1981) eind jaren
vijftig van hem schilderde. In het schilderij zijn schrijnende
beelden verwerkt die verwijzen naar het vroegere joodse leven in
Amsterdam, dat na de oorlog was verdwenen. Sinds 2007 hangt
het in de vernieuwde vaste opstelling van het Joods Historisch
Museum nadat het jarenlang onvindbaar was geweest.
De gevonden foto, die weergeeft hoe belangrijk het schilderij voor
Tailleur was, werd gemaakt door de Amsterdams-joodse fotograaf Sem
Presser (1917-1986). Aan het humoristische detail van de kop van
Tailleur als stop op de karaf op het buffet zullen zowel fotograaf
als geportretteerde veel genoegen hebben beleefd.
Max Tailleur was in de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog de
populairste joodse komiek van Nederland. In 1952 begon hij met het
cabaret De Doofpot aan het Amsterdamse Rembrandtplein,
waar hij avond aan avond met veel succes moppen vertelde. Met zijn
'Sam en Moos'-moppen, een mengsel van Amsterdamse gein en joodse
humor, kreeg Tailleur landelijke bekendheid, maar hij was niet erg
geliefd onder joden. Zij vonden dat Tailleur de vooroordelen en
stereotypen over joden bevestigde en uitbuitte. Max Tailleur zelf
zag zijn humor eerder als een hommage aan een joods Amsterdam dat
in de oorlog verloren was gegaan. Hij sprak nooit over de vele
familieleden die waren vermoord. 'Ik lach om niet te huilen', was
zijn lijfspreuk. De tekst op het schilderij luidt: "Door pijn en
gein werd Mokum mijn!".
Eppo Doeve (1907-1981), olieverf op board, 1958
JHM B2160, bruikleen Theater Instituut Nederland